Waarom dit helpt
Van genotype naar gameten en kansen, met controles waarmee je fouten in mono- en dihybride kruisingen vindt.
Leg eerst de notatie vast
Schrijf welk allel dominant is en welk fenotype bij ieder genotype hoort. Gebruik voor één gen dezelfde letter en maak hoofd- en kleine letter duidelijk verschillend. Bij geslachtsgebonden overerving noteer je het allel aan het X-chromosoom, omdat een man maar één X-gebonden allel heeft.
Leid oudergenotypen af uit de informatie. Een recessief fenotype dwingt meestal een homozygoot recessief genotype af. Een dominant fenotype kan homozygoot of heterozygoot zijn. Soms maakt een nakomeling één van die mogelijkheden onmogelijk; gebruik dus alle familiegegevens voordat je rekent.
Bepaal mogelijke gameten
Een gameet bevat per gen één allel. Een ouder met genotype Aa maakt voor dit gen A- en a-gameten, ieder met kans een half bij gewone meiose. Een AA-ouder maakt alleen A-gameten. Bij AaBb en onafhankelijke overerving zijn AB, Ab, aB en ab mogelijk, elk met kans een kwart.
De som van alle gameetkansen moet één zijn. Dat is je eerste controle. Bij gekoppelde genen of ongelijke levensvatbaarheid kunnen kansen anders zijn, maar zo’n afwijking moet uit de opgave blijken. Neem onafhankelijkheid nooit stilzwijgend aan wanneer genlocaties worden gegeven.
Vermenigvuldig en tel op
Voor één specifieke combinatie vermenigvuldig je kansen. De kans op aa uit Aa × Aa is een half maal een half: een kwart. Als meerdere verschillende genotypen hetzelfde gevraagde fenotype geven, tel je die onderling uitsluitende kansen op.
Bij onafhankelijke genen kun je deelkansen apart berekenen. De kans op een recessief fenotype voor gen A én een dominant fenotype voor gen B is het product van beide kansen. Dat voorkomt een groot 4-bij-4-schema, zolang je controleert dat de genen inderdaad onafhankelijk overerven.
Controleer de uitkomst biologisch
Alle genotypekansen samen moeten één zijn. Vraag ook of een voorspeld genotype mogelijk is op basis van de ouderallelen. Een kind kan bij gewone overerving geen allel krijgen dat geen van beide ouders bezit.
Kansen gelden voor iedere bevruchting opnieuw. Na drie zonen wordt een dochter niet ‘waarschijnlijker’ als geslachtsbepaling onafhankelijk verloopt. Een verhouding van drie op één is bovendien een verwachting voor veel nakomelingen, geen garantie bij een klein gezin of nest.
Veelgemaakte denkfouten
Controleer deze drie punten
- Dominant betekent zichtbaar in een heterozygoot, niet algemeen, gezond of sterker.
- Fenotypekansen en genotypekansen zijn niet altijd hetzelfde.
- Verwachte verhoudingen verschijnen pas bij grote aantallen ongeveer in de waarnemingen.
Actief ophalen
Kun je dit zonder terugkijken?
- Welke gameten vormt AaBb bij onafhankelijke overerving?
- Bereken bij Aa × Aa de kans op het dominante fenotype en controleer de som.
- Waarom verandert de kans bij een volgende geboorte niet door de uitkomsten van eerdere geboorten?
Redactionele verantwoording
Dit artikel is in eigen woorden geschreven door BiologieBoost en sluit aan bij de biologische redeneerwijzen en onderwerpen uit de syllabus biologie vwo. Het is geen kopie of bewerking van een lesmethode.
Lees meer over onze werkwijze op Bronvermelding of meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.
Terug naar de leerlijn
Erfelijkheid
Lees het volledige theoriehoofdstuk of oefen dezelfde stof met flitskaarten en examenopgaven.