Hoofdstuk 11 · VWO · Biologie voor jou · leerjaar 5

Planten

Opname, transport, groei en voortplanting. Volg water van bodem naar blad en assimilaten van bron naar bestemming. Verbind fotosynthese, meristemen, huidmondjes en voortplanting met de leefomstandigheden.

Dit kun je uitleggen

  • Je verbindt plantenbouw, transport, groei en reactie op de omgeving.
  • Je verklaart een afweging tussen gaswisseling en waterverlies.
  • Je kunt in een context beschrijven dat organismen door fotosynthese autotroof zijn.
  • Je kunt in een context benoemen wat voorwaarden zijn voor fotosynthese in planten.
  • Je kunt in een context beschrijven wat het belang is van fotosynthese als basis voor de voortgezette assimilatie en dissimilatie van het organisme.
  • Je kunt in een context beschrijven welke vormen er zijn van actief.
  • Je kunt in een context toelichten wat de relatie is tussen de eigenschappen van de getransporteerde stoffen en de bouw en eigenschappen van membranen.
  • Je kunt in een context toelichten dat effecten van osmotische werking verschillen bij plantaardige en dierlijke cellen.

Zo hangt de stof samen

Volg water van bodem naar blad en assimilaten van bron naar bestemming. Verbind fotosynthese, meristemen, huidmondjes en voortplanting met de leefomstandigheden.

01

Bouw, groei en regeling van planten

Een plant verbindt opname, fotosynthese, transport en groei. Wortels nemen water en mineralen op; bladeren bieden veel oppervlak voor lichtopvang; de stengel draagt het geheel en bevat vaatbundels. Wortelharen vergroten het contact met de bodem. Houtvaten vervoeren water en mineralen, terwijl bastvaten stoffen zoals sacharose van bron naar bestemming verplaatsen.

Groei vindt onder meer plaats in meristemen, waar cellen kunnen blijven delen. Na deling kunnen cellen strekken en differentiëren. Nieuwe weefsels hebben zo verschillende bouw en functies. Secundaire groei kan bij houtige planten de dikte vergroten.

Planten reageren op hun omgeving via signalen en veranderingen in groei of fysiologie. Bij fototropie verandert de groeirichting onder invloed van licht. Auxine kan de celstrekking beïnvloeden; het effect hangt onder meer af van orgaan en concentratie. Een reactie is dus niet simpelweg bewust bewegen naar een doel.

Huidmondjes verbinden gaswisseling met waterverlies. Bij droogte kan sluiting het waterverlies beperken, maar ook de opname van koolstofdioxide remmen. In een kas moet een teler daarom water, temperatuur, licht en koolstofdioxide in samenhang beoordelen. Méér van één factor geeft geen extra groei als een andere factor beperkend is.

Kernbegrippen

Meristeem
Plantweefsel met cellen die kunnen blijven delen en nieuwe weefsels vormen.
Fototropie
Gerichte groeireactie op de richting van licht.
Auxine
Groep plantenhormonen die onder meer celstrekking en ontwikkeling beïnvloeden.
02

Fotosynthese maakt autotroof

Een plant hoeft geen organische stof te eten: hij maakt hem zelf. Met koolstofassimilatie bouwt hij uit koolstofdioxide en water glucose, met licht als energiebron en zuurstof als bijproduct.

Dat is wat een organisme autotroof maakt, en het is de reden dat producenten aan het begin van elke voedselketen staan. Veel ecosystemen krijgen hun energie op deze manier binnen. Er bestaan ook ecosystemen waarvan de producenten energie uit chemische reacties halen.

Kernbegrippen

fotosynthese
Vastleggen van koolstofdioxide en water tot glucose met licht als energiebron, waarbij zuurstof vrijkomt.
koolstofassimilatie
Inbouwen van koolstof uit koolstofdioxide in organische stof; dit maakt een fotosynthetiserend organisme autotroof.
anorganische stof
Stof zonder de koolstofketens van levende materie, zoals water, zouten, koolstofdioxide en stikstofgas.
03

Voorwaarden voor fotosynthese

Fotosynthese heeft licht, koolstofdioxide, water en een geschikte temperatuur nodig, plus chlorofyl om het licht op te vangen.

Ontbreekt er één, dan stopt het proces — hoe ruim de rest ook aanwezig is. Dat is het principe van de beperkende factor: de snelheid wordt bepaald door datgene waar op dat moment het meeste tekort aan is. In een kas is dat vaak koolstofdioxide, en daarom wordt dat er bijgedoseerd.

Kernbegrippen

beperkende factor
De factor die op dat moment het verst van het optimum af zit en daarmee in zijn eentje bepaalt hoe hard iets kan groeien.
chloroplast
Organel met stapels membranen vol chlorofyl; hierin legt de plant lichtenergie vast in glucose.
04

Waarom fotosynthese de basis is

De glucose uit de fotosynthese is het startpunt voor al het andere. In de voortgezette assimilatie wordt hij omgebouwd tot zetmeel, cellulose, vetten en eiwitten — het materiaal waar de plant zelf uit bestaat.

En hij is de brandstof voor de dissimilatie, waarmee de plant zijn eigen energie levert. Een plant ademt dus gewoon, dag en nacht; bij voldoende licht kan de fotosynthese de dissimilatie overtreffen, zodat er netto zuurstof wordt afgegeven. Bij weinig licht hoeft dat niet zo te zijn.

Kernbegrippen

voortgezette assimilatie
Het verder verwerken van de glucose uit de fotosynthese tot andere stoffen: zetmeel, vetten, eiwitten en nucleïnezuren.
dissimilatie
Afbraak van organische stof waarbij energie vrijkomt voor de cel; aeroob levert het koolstofdioxide en water op.
05

Vormen van transport

Een cel is geen zeef. Wat er in en uit gaat, hangt af van het molecuul en van de route die ervoor bestaat.

Passief transport gaat met het concentratieverschil mee en kost geen energie: diffusie voor kleine ongeladen moleculen zoals zuurstof, osmose voor water. Actief transport gaat er juist tegenin, met een pomp-eiwit en ten koste van ATP — zo blijven de ionenconcentraties binnen en buiten verschillend.

Grote deeltjes passen door geen enkel eiwit. Die gaan met endocytose naar binnen, doordat het membraan zich eromheen plooit, en met exocytose naar buiten, doordat een blaasje met het membraan versmelt.

Kernbegrippen

diffusie
Deeltjes bewegen willekeurig en verspreiden zich daardoor vanzelf tot de concentratie overal gelijk is; daar is geen energie voor nodig.
osmose
Netto verplaatsing van water door een semipermeabel membraan door een verschil in waterpotentiaal; opgeloste stoffen en druk beïnvloeden de richting.
actief transport
Verplaatsing van laag naar hoog: een pomp-eiwit werkt tegen het concentratieverschil in en betaalt dat met ATP.
06

Membraan en molecuul

Het celmembraan is een dubbele laag fosfolipiden: wateraantrekkende koppen naar buiten, waterafstotende staarten naar binnen. Die bouw bepaalt wie er zomaar doorheen komt.

Vetoplosbare, apolaire moleculen glijden er dwars doorheen. Ionen en grote polaire moleculen passeren de vetlaag niet gemakkelijk. Kleine polaire moleculen zoals water kunnen beperkt rechtstreeks passeren; water gaat vaak vooral via aquaporinen. Voor die stoffen zijn er eiwitten in het membraan die als kanaal of als pomp dienstdoen. Dat is meteen de reden dat de cel controle heeft over wat er binnenkomt.

Kernbegrippen

fosfolipiden
Moleculen met een wateraantrekkende kop en waterafstotende staarten; ze vormen vanzelf de dubbele laag van het celmembraan.
wateroplosbaar
Oplosbaar in water doordat het molecuul geladen of polair is; komt daardoor juist niet door de vetlaag van het membraan.
vetoplosbaar
Oplosbaar in vet doordat het molecuul apolair is; passeert het membraan gemakkelijk.
07

Osmose bij plant en dier

Dezelfde osmose pakt bij een plantencel anders uit dan bij een dierlijke cel, en dat komt door de celwand.

In een hypotonische omgeving neemt een plantencel water op tot de celwand tegendruk geeft: turgor. Dat is wat een kruidachtige plant rechtop houdt. Een dierlijke cel heeft die wand niet en kan in dezelfde omgeving knappen.

In een hypertonische omgeving verliest de plantencel water en trekt het membraan met de inhoud los van de wand — plasmolyse. De dierlijke cel schrompelt gewoon ineen.

Kernbegrippen

plasmolyse
Bij een plantencel in een hypertonische omgeving trekt het celmembraan met de inhoud los van de celwand doordat er water uit stroomt.
turgor
De druk van de celinhoud tegen de celwand bij een plantencel die vol water zit; dit is wat een kruidachtige plant stevig houdt.
08

Waarom binnen anders is dan buiten

Het celmembraan is selectief permeabel: het laat de ene stof door en de andere niet. Daardoor kan de samenstelling binnen blijvend verschillen van die buiten — zonder dat verschil is er geen leven.

Om te vergelijken gebruik je de osmotische waarde. Een oplossing is isotonisch, hypotonisch of hypertonisch ten opzichte van een andere, en bij gelijke druk gaat water netto door een semipermeabel membraan naar de kant met de hoogste osmotische waarde. Druk kan deze stroom tegenwerken, zoals turgor in een plantencel. Algemeen stroomt water van hogere naar lagere waterpotentiaal, waarin zowel opgeloste stoffen als druk meetellen. De osmotische druk is de druk die je zou moeten uitoefenen om die stroom tegen te houden.

Kernbegrippen

semipermeabel membraan
Membraan dat water wel doorlaat maar de opgeloste deeltjes niet.
selectief permeabel
Doorlatend voor de ene stof en niet voor de andere, doordat er voor elke stof een eigen route of eiwit nodig is.
isotonisch
Met dezelfde osmotische waarde als de vergeleken vloeistof; er verplaatst zich netto geen water.
09

Transport in de plant

Een plant heeft twee transportstelsels met verschillende stoffen en aandrijvende processen.

De houtvaten voeren water met opgeloste zouten omhoog, van wortel naar blad: de anorganische sapstroom. Het begint bij de wortelharen, die het opnameoppervlak enorm vergroten. Worteldruk duwt van onderaf, maar de grootste kracht komt van boven: verdamping via de huidmondjes trekt de waterkolom omhoog. Dat lukt doordat watermoleculen elkaar vasthouden (cohesiekracht) en aan de vaatwand plakken (adhesiekracht), zodat de kolom niet afbreekt.

De bastvaten vervoeren assimilaten, vooral suikers, van een bron naar een bestemming waar zij worden gebruikt of opgeslagen. Een bron kan een fotosynthetiserend blad of een reserveorgaan zijn. Bestemmingen zijn bijvoorbeeld groeiende scheuten, vruchten en wortels. Transport kan dus omhoog of omlaag gaan, in verschillende zeefbuizen; de baststroom is geen vaste tegenrichting van de houtstroom.

Kernbegrippen

wortelhaar
Uitstulping van een wortelcel die het opnameoppervlak sterk vergroot; hier komen water en ionen de plant binnen.
houtvat
Buis van dode cellen zonder dwarswanden die water en opgeloste zouten van wortel naar blad transporteert.
worteldruk
Druk die ontstaat doordat de wortel actief ionen opneemt, waarna water volgt en het sap omhoog wordt geduwd.
10

Bloemen, zaden en ongeslachtelijke voortplanting

Bij zaadplanten maakt geslachtelijke voortplanting nieuwe combinaties van erfelijke informatie mogelijk. Stuifmeel ontstaat in de helmknoppen; in het zaadbeginsel ontstaat de vrouwelijke geslachtscel. Bestuiving is de overdracht van stuifmeel naar de stempel. Bevruchting is de versmelting van geslachtscellen en gebeurt pas later, na groei van een stuifmeelbuis.

Na bevruchting kan het zaadbeginsel zich tot een zaad ontwikkelen en het vruchtbeginsel tot een vrucht. Het zaad bevat het jonge plantje en materiaal dat de eerste groei ondersteunt. Bij kieming zijn onder meer water, geschikte temperatuur en zuurstof nodig. Lichtbehoefte kan tussen soorten verschillen. De kiemplant gebruikt aanvankelijk reserves en wordt later afhankelijker van fotosynthese.

Ongeslachtelijke voortplanting kan via uitlopers, bollen, knollen of stekken plaatsvinden. Er is geen versmelting van gameten; nakomelingen zijn doorgaans genetisch gelijk aan de ouder, afgezien van mutaties. Dat maakt snel vermeerderen van gewenste eigenschappen mogelijk, maar beperkt de variatie waarop selectie kan aangrijpen.

Vergelijk in een landbouwvraag daarom snelheid, uniformiteit, erfelijke variatie en kwetsbaarheid. Uniformiteit kan handig zijn voor oogst en kwaliteit, maar een ziekteverwekker kan een genetisch uniforme teelt sterk treffen.

Kernbegrippen

Bestuiving
Overdracht van stuifmeel naar een stempel.
Zaadbeginsel
Structuur in een bloem waar na bevruchting een zaad uit kan ontstaan.
Kieming
Hervatting van groei en ontwikkeling van het jonge plantje in een zaad.

Let hierop

Bastvaten vervoeren assimilaten naar bestemmingen; hun stroom gaat niet uitsluitend naar beneden.

Controleer of je het begrijpt

Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.

  1. Hoe verbindt verdamping zich met watertransport?
  2. Welke afweging ontstaat bij sluiting van huidmondjes?
  3. Wat verschilt tussen bestuiving en bevruchting?

Verantwoording

De inhoud is door BiologieBoost geselecteerd voor VWO · Biologie voor jou · leerjaar 5, met het landelijke examenprogramma als inhoudelijke basis. De methode-indeling is gecontroleerd aan de openbare inhoudsopgaven van Noordhoff en Malmberg. De uitleg, voorbeelden en zelfcheck zijn eigen werk; deze pagina is geen officiële uitgeversuitgave. Begrippen uit de oorspronkelijke CvTE-lijst zijn geselecteerd voor dit programma. Biologische naslag: OpenStax Biology.

Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.

Oefen verder met planten

Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.

Naar de oefeningen