Na dit hoofdstuk
Dit kun je uitleggen
- Je kunt in een context beschrijven wat de bouw is van DNA en RNA.
- Je kunt in een context benoemen wat de verschillen zijn in de bouw van DNA en RNA.
- Je kunt in een context benoemen wat de functies zijn van DNA, mRNA, tRNA en rRNA.
- Je kunt in een context toelichten wat het verband is tussen molecuulstructuur en functie van DNA, mRNA, tRNA en rRNA.
- Je kunt in een context beschrijven op welke manieren de basenvolgorde in het DNA bepaald kan worden.
- Je kunt in een context toelichten hoe eiwitten gevormd worden op basis van de relatie tussen codon en aminozuur.
- Je kunt in een context beschrijven hoe de processen van transcriptie en translatie verlopen.
- Je kunt in een context toelichten hoe de aminozuurvolgorde (primaire structuur) van een eiwit de bouw en werking van het eiwit bepaalt.
Kernredenering
Zo hangt de stof samen
Volg DNA via RNA naar een werkzaam eiwit. Vergelijk DNA-verdubbeling met genexpressie en verklaar hoe mutaties of regulatie het fenotype kunnen beïnvloeden.
De bouw van DNA
DNA en RNA zijn nucleïnezuren: lange ketens van nucleotiden. Elk nucleotide bestaat uit een fosfaatgroep, een suiker en een stikstofbase, en via suiker en fosfaat zitten ze aan elkaar geregen.
Dubbelstrengs DNA bestaat uit twee van die ketens, tegenover elkaar en om elkaar heen gedraaid tot een helix. De suiker-fosfaatruggen liggen aan de buitenkant, de basen wijzen naar binnen. Daar vindt de basenparing plaats: A altijd tegenover T, C altijd tegenover G.
Door die vaste koppeling zijn de ketens complementair — uit de ene volgt de andere, en juist dat maakt kopiëren en aflezen mogelijk. Enkelstrengs DNA komt voor bij sommige virussen, en tijdelijk overal waar de streng openligt. In de kern is het geheel opgerold tot chromosomen.
Kernbegrippen
- nucleïnezuur
- Molecuulsoort die uit aaneengeregen nucleotiden bestaat en erfelijke informatie draagt of doorgeeft; DNA en RNA vallen er allebei onder.
- helixstructuur
- Spiraalvorm waarin twee ketens om elkaar heen draaien, met de suiker-fosfaatruggen aan de buitenkant en de basenparen naar binnen gekeerd.
- basenparing
- Vaste koppeling tussen de basen van twee ketens: A tegenover T of U, C tegenover G. Daardoor ligt met de ene keten de andere ook vast.
DNA tegenover RNA
Alle materie bestaat uit atomen; die vormen samen moleculen, en een atoom of groepje atomen met een lading heet een ion. In de biologie draait het om een handvol elementen, met koolstof als skelet van vrijwel elk groot molecuul.
DNA en RNA verschillen op drie punten. RNA heeft ribose als suiker, DNA desoxyribose. RNA gebruikt uracil waar DNA thymine gebruikt. En RNA is enkelstrengs, terwijl DNA meestal dubbel is.
De twee DNA-ketens worden bijeengehouden door waterstofbruggen tussen de basen: twee per A-T-paar, drie per C-G-paar. Elk daarvan is zwak, maar met miljoenen tegelijk levert dat een stevig molecuul op dat tóch open te ritsen is. In de kern ligt het DNA gewikkeld om histonen, en hoe strakker die wikkeling, hoe minder er wordt afgelezen.
Kernbegrippen
- histon
- Eiwit waaromheen het DNA van een eukaryoot gewikkeld ligt. Hoe strakker die wikkeling, hoe minder er van dat stuk wordt afgelezen.
- RNA
- Enkelstrengs nucleïnezuur met ribose als suiker en uracil in plaats van thymine; het brengt informatie over en werkt mee aan de eiwitsynthese.
- atoom
- Kleinste deeltje van een element dat de eigenschappen daarvan nog bezit; koolstof, waterstof, zuurstof en stikstof vormen het meeste levende materiaal.
De RNA-soorten
DNA blijft in de kern; het werk daarbuiten wordt door RNA gedaan, en elke soort heeft daarin zijn eigen taak.
mRNA is de boodschapper. Het is een afschrift van één gen, verlaat de kern door een kernporie en levert de code af bij het ribosoom. Het gaat maar kort mee, zodat de cel snel kan omschakelen.
tRNA is de aanvoerder. Elk molecuul draagt één aminozuur en heeft een anticodon dat op het passende codon van het mRNA klikt. Zo belandt het juiste aminozuur op de juiste plaats in de keten.
rRNA is bouwmateriaal en werktuig tegelijk: samen met eiwitten vormt het het ribosoom, en het verzorgt daar de koppeling tussen de aminozuren. DNA bewaart dus, RNA voert uit.
Kernbegrippen
- mRNA
- Kopie van een gen die de kern verlaat en de code naar het ribosoom brengt; boodschapper tussen DNA en eiwit.
- tRNA
- Transportmolecuul dat één aminozuur draagt en met zijn anticodon op het passende codon in het mRNA klikt.
- rRNA
- RNA dat samen met eiwitten het ribosoom vormt en de koppeling van de aminozuren mede uitvoert.
Structuur en functie
De vorm van een nucleïnezuur past bij zijn taak. Dubbelstrengs DNA is stabiel en beschermt de informatie. RNA is enkelstrengs en kan zich juist opvouwen: dat geeft tRNA zijn klaverbladvorm en stelt rRNA in staat om als katalysator te werken.
Ook de plaats zegt iets. Kern-DNA ligt in chromosomen in de celkern, bevat vrijwel alle genen en komt van beide ouders. Daarnaast heeft een cel nog kleine, cirkelvormige voorraden: mitochondriaal DNA en, bij planten, chloroplast-DNA. Beide bevatten genen voor de eiwitten van dat organel zelf, Mitochondriaal DNA erft bij de mens doorgaans via de eicel over. Bij planten verschilt de overerving van organel-DNA per soort: zij kan moederlijk, vaderlijk of tweezijdig zijn.
Dat die organellen een eigen DNA hebben dat op bacterieel DNA lijkt, is meteen het sterkste argument voor de endosymbiosetheorie.
Kernbegrippen
- kern DNA
- Erfelijk materiaal in de celkern, verdeeld over chromosomen; het bevat vrijwel alle genen en komt van beide ouders.
- mitochondriaal DNA
- DNA in mitochondriën. Bij de mens erft het doorgaans via de eicel over; de hoeveelheid veranderd DNA en de gevolgen kunnen tussen kinderen en weefsels verschillen.
- chloroplast DNA
- Eigen cirkelvormig DNA van de bladgroenkorrel, met genen voor haar eigen eiwitten; een aanwijzing dat dit organel uit een opgenomen bacterie voortkomt.
De basenvolgorde bepalen
De basenvolgorde is de informatie zelf, en met de genetische code valt eruit af te leiden welk eiwit erbij hoort. Om die volgorde te achterhalen is meestal eerst meer materiaal nodig.
Dat levert PCR. In cycli van verhitten en afkoelen wordt een stuk DNA telkens verdubbeld, waarbij primers aangeven waar het kopiëren begint. Uit een spoortje speeksel of een haarwortel groeit zo genoeg om mee te werken.
Sequencen bepaalt daarna de volgorde base voor base. Restrictie-enzymen knippen DNA op vaste herkenningsplaatsen, zodat stukken los te maken zijn en in een plasmide kunnen worden gezet. Samen maken die technieken opsporingsonderzoek, erfelijkheidsonderzoek, stamboomonderzoek en biotechnologie mogelijk.
Kernbegrippen
- basenvolgorde
- Rij waarin de vier basen achter elkaar staan. Die volgorde ís de informatie, en dus wat er bij het aflezen toe doet.
- genetische code
- Vertaalsleutel tussen drietallen basen en aminozuren, bij vrijwel alle organismen dezelfde; meerdere drietallen kunnen hetzelfde aminozuur aangeven.
- plasmide
- Klein cirkelvormig stukje DNA los van het chromosoom, vooral bij bacteriën. In de biotechnologie het vervoermiddel om een gen in een cel te krijgen.
Van code naar aminozuur
Een eiwit is een keten aminozuren, en welke aminozuren dat zijn staat in het DNA. De code werkt in drietallen: elk codon van drie basen staat voor één aminozuur. Met vier basen levert dat 64 combinaties voor twintig aminozuren, dus meerdere codons betekenen hetzelfde — de code is redundant, maar nooit dubbelzinnig.
Start- en stopcodons hebben daarnaast een bijzondere functie. In het standaardmodel markeert AUG het begin van translatie en codeert het voor methionine. Er zijn drie stopcodons in de standaardcode; daarbij hoort geen aminozuur en daar laat het ribosoom de keten los.
Kernbegrippen
- aminozuur
- Bouwsteen van eiwitten, met een aminogroep, een zuurgroep en een zijketen die per aminozuur verschilt. Twintig soorten volstaan voor elk eiwit.
- eiwit
- Keten van aminozuren die zich opvouwt tot een vorm; die vorm bepaalt wat het molecuul kan — enzym, receptor, transporteiwit of bouwmateriaal.
- proteïne
- Andere naam voor eiwit; komt vooral in de scheikundige en voedingskundige literatuur voor.
Transcriptie en translatie
De eiwitsynthese verloopt in twee stappen, op twee plaatsen. Bij de transcriptie wordt in de kern één gen overgeschreven naar mRNA. Van de twee DNA-strengen dient de matrijsstreng als mal; het mRNA wordt daar complementair aan gebouwd, en komt dus overeen met de coderende streng. Het aflezen gebeurt altijd in dezelfde richting.
Het mRNA verlaat de kern en gaat naar een ribosoom in het cytoplasma. Daar volgt de translatie: tRNA-moleculen brengen elk hun eigen aminozuur aan en klikken met hun anticodon op het passende codon. Het ribosoom, dat zelf uit rRNA en eiwitten bestaat, koppelt de aminozuren aan elkaar.
Eiwitten die de cel gaat uitscheiden, worden gemaakt aan het ruwe endoplasmatisch reticulum en verder afgewerkt en verpakt in het golgi-systeem.
Kernbegrippen
- transcriptie
- Vorming van RNA op basis van een DNA-matrijs. Bij eukaryote eiwitcoderende genen ontstaat een RNA-voorloper die tot mRNA kan worden verwerkt.
- translatie
- Aan het ribosoom wordt de basenvolgorde van het mRNA codon voor codon omgezet in een keten aminozuren.
- cytoplasma
- De celinhoud buiten de kern, waarin de organellen liggen en waar onder meer de translatie plaatsvindt.
Van keten naar werkend eiwit
De volgorde van de aminozuren — de primaire structuur — ligt vast in het gen en bepaalt alles wat daarna gebeurt. De keten vouwt zichzelf op: eerst plaatselijk tot spiralen en vouwbladen (secundair), dan tot de complete ruimtelijke vorm van één keten (tertiair), vastgezet door onder meer zwavelbruggen. Bestaat het eiwit uit meerdere ketens samen, zoals hemoglobine, dan heet dat de quaternaire structuur.
Die vorm ís de functie. Een enzym past alleen op zijn substraat als het goed gevouwen is. Eén verkeerd aminozuur kan de vouwing veranderen en het eiwit onbruikbaar maken — dat is waarom een puntmutatie zulke grote gevolgen kan hebben.
Kernbegrippen
- primaire structuur
- Volgorde van aminozuren in een eiwitketen. Deze beïnvloedt de vouwing samen met de omgeving en eventuele hulpeiwitten.
- secundaire structuur
- Plaatselijke vouwing van de keten tot een spiraal of een vouwblad, door waterstofbruggen tussen delen van de ruggengraat.
- tertiaire structuur
- De ruimtelijke vorm van één complete keten, vastgezet door onder meer zwavelbruggen en aantrekking tussen zijketens.
Coderend en niet-coderend DNA
Van al het DNA in een menselijke cel codeert maar een paar procent voor een eiwit. De rest heet niet-coderend, en dat is iets anders dan nutteloos.
Een deel bestaat uit regelplaatsen: promotoren en bindingsplaatsen waar eiwitten aangrijpen die bepalen of een gen wordt afgelezen. Een ander deel bestaat uit herhalingen die per persoon in lengte verschillen — precies wat een DNA-profiel bruikbaar maakt. Weer een ander deel levert RNA dat zelf werk doet zonder ooit eiwit te worden.
De genetische code geldt alleen voor het coderende deel. Dat die code bij bacteriën, planten en mensen vrijwel identiek is, wijst op één gemeenschappelijke oorsprong, en het verklaart waarom een geschikt menselijk coderend DNA-fragment met passende regelgebieden in een bacterie tot expressie kan komen. Voor introns en eventuele eiwitbewerking zijn aanvullende aanpassingen nodig.
Kernbegrippen
- DNA
- Molecuul van twee complementaire ketens nucleotiden waarin de erfelijke informatie ligt vastgelegd, in de volgorde van de basen.
- niet-coderend DNA
- Deel van het erfelijk materiaal zonder code voor een eiwit. Bij eukaryoten verreweg het grootste deel, met regelplaatsen en herhalingen erin.
Introns en exons
Veel eukaryote genen zijn onderbroken. Het bestaat uit exons, die in het eindproduct terechtkomen, met daartussen introns, die dat niet doen.
Bij de transcriptie wordt eerst alles overgeschreven. Daarna knipt de cel de introns eruit en plakt ze de exons aan elkaar; pas dat rijpe mRNA verlaat de kern. Door exons verschillend te combineren levert één gen bovendien meerdere eiwitten op, wat verklaart hoe de mens met ongeveer twintigduizend genen veel meer eiwitten maakt.
Bacteriën kunnen de introns van een menselijk gen doorgaans niet op dezelfde manier verwijderen. Wie een menselijk gen in een bacterie wil laten werken, gebruikt daarom cDNA: DNA dat vanaf het rijpe mRNA is teruggeschreven en alleen exons bevat.
Kernbegrippen
- introns
- Stukken binnen een gen die niet in het eindproduct terechtkomen; na de transcriptie worden ze uit het RNA geknipt.
- exons
- Stukken van een gen die wél in het eindproduct terechtkomen. Door ze verschillend te combineren levert één gen meerdere eiwitten op.
- cDNA
- Vanaf rijp mRNA teruggeschreven DNA, dat daardoor geen introns bevat; zo is een eukaryoot gen ook in een bacterie bruikbaar.
Van gen naar eiwit
Genexpressie is het hele traject van gen tot werkend product. Het begint met de transcriptie: RNA-polymerase hecht aan de promotor, ritst de dubbele streng open en bouwt langs de matrijsstreng een RNA-keten op.
Bij eukaryoten volgt de splicing, waarbij de introns eruit gaan en de exons aaneen komen. Het rijpe mRNA verlaat daarna de kern.
Aan het ribosoom volgt de translatie. Die begint bij het startcodon en loopt codon voor codon door tot een stopcodon; tRNA's voeren de aminozuren aan in de volgorde die het mRNA voorschrijft. De keten vouwt zich op, vaak met hulp van andere eiwitten. Eiwitten voor uitscheiding of bepaalde membranen doorlopen het endoplasmatisch reticulum en golgi-systeem; veel andere eiwitten functioneren in het cytoplasma of worden op een andere manier naar hun bestemming gebracht. Van alle genen op de chromosomen staat er per cel steeds maar een deel aan.
Kernbegrippen
- genexpressie
- Het tot uiting komen van een gen, van aflezen tot werkend product. Per celtype en per moment staat er een andere selectie genen aan.
- gen
- Stuk DNA dat wordt afgelezen tot een functioneel RNA-product. Bij eiwitcoderende genen levert RNA de informatie voor een eiwit; verschillende RNA-bewerkingen kunnen meerdere producten opleveren.
- RNA-polymerase
- Enzym dat op de promotor aanhaakt, de dubbele streng openritst en langs de matrijsstreng een RNA-keten opbouwt.
Elk celtype zijn eigen eiwitten
Veel lichaamscellen van een organisme hebben vrijwel dezelfde genen, maar lezen er andere af. Daardoor heeft elk celtype zijn eigen verzameling eiwitten, en dat is precies wat het celtype tot celtype maakt.
De taken lopen ver uiteen. Enzymen versnellen reacties, structuureiwitten leveren stevigheid, motoreiwitten verplaatsen blaasjes langs het cytoskelet. In het membraan zitten receptoren die signalen opvangen en transporteiwitten die stoffen doorlaten; membraaneiwitten dienen daarnaast als herkenningspunt. Naar buiten toe maken cellen antistoffen voor de afweer en eiwithormonen die andere organen aansturen.
Een kliercel zit daarom vol ruw endoplasmatisch reticulum en golgi-systeem, een spiercel vol samentrekkende eiwitdraden. Dezelfde bibliotheek, een andere selectie.
Kernbegrippen
- enzym
- Biologische katalysator die de activeringsenergie verlaagt en zelf niet wordt verbruikt. Een enzym heeft specificiteit voor een bepaald substraat of verwante substraten; meestal is het een eiwit.
- receptor
- Structuur die een prikkel of signaalstof opvangt; kan een zintuigcel zijn of een eiwit op of in een cel.
- membraaneiwit
- Eiwit dat in of op het celmembraan ligt en daar dienstdoet als kanaal, pomp, receptor of herkenningspunt.
Genexpressie en het organisme
Wat een organisme is, volgt uit welke genen waar en wanneer aanstaan. Het fenotype is dus niet alleen een kwestie van welke genen aanwezig zijn, maar vooral van hun expressie.
Om te achterhalen waar een gen voor dient, wordt het in een proefdier of cellijn opzettelijk uitgeschakeld: een knock-out. Uit wat er daarna misgaat — een orgaan dat niet wordt aangelegd, een stof die zich ophoopt, gedrag dat uitblijft — blijkt de normale functie.
Die aanpak laat ook zien hoe verweven het geheel is. Eén uitgeschakeld gen kan een hele reeks andere processen ontregelen, terwijl een ander gen zonder zichtbaar gevolg gemist wordt doordat een tweede gen de taak overneemt.
Kernbegrippen
- knock-out-gen
- In een proefdier of cellijn opzettelijk uitgeschakeld gen; uit wat er daarna misgaat blijkt waar dat gen normaal voor dient.
- fenotype
- Alle waarneembare kenmerken van een individu, als resultaat van het genotype en de omgeving samen.
Waarom genregulatie nodig is
Vrijwel alle lichaamscellen met een kern hebben hetzelfde DNA, maar een levercel is geen zenuwcel. Het verschil zit niet in welke genen er zijn, maar in welke er aanstaan.
Genregulatie is dat aan- en uitzetten. Zonder die regeling zou elke cel alles tegelijk aanmaken: een enorme verspilling, en bovendien onmogelijk om nog gespecialiseerde weefsels te vormen. Ook binnen één cel wisselt het voortdurend — een enzym dat nu nodig is, is dat straks niet meer.
Kernbegrippen
- genregulatie
- Het aan- en uitzetten van genen, zodat een cel alleen maakt wat op dat moment nodig is. Zonder die regeling zou elke cel alles tegelijk aanmaken.
Genregulatie bij prokaryoten
Bij bacteriën is het schakelmechanisme goed te overzien. Vóór een structuurgen — het gen voor het eiwit dat de cel wil maken — liggen een promotor, waar het afleesenzym aanhecht, en een operator, die als schakelaar dienstdoet.
Een apart regulatorgen codeert voor een repressor. Zit die op de operator, dan komt het afleesenzym er niet langs en blijft het gen uit. In een induceerbaar systeem kan een beschikbare stof aan de repressor binden, zodat die loslaat en transcriptie mogelijk wordt. Andere systemen werken anders: een eindproduct kan de repressor juist activeren. Gebruik het mechanisme uit de gegeven context. Zo maakt de bacterie het enzym precies wanneer er iets te doen is.
Kernbegrippen
- structuurgen
- Gen dat codeert voor een eiwit dat de cel daadwerkelijk gebruikt, zoals een enzym.
- regulatorgen
- Gen dat codeert voor een eiwit dat andere genen aan- of uitzet, zoals een repressor.
- promotor
- Stuk DNA vóór een gen waar het afleesenzym aanhecht; hier begint de transcriptie.
Genregulatie bij eukaryoten
Bij eukaryoten is het ingewikkelder, want er zijn veel meer genen en veel meer situaties.
Hier bepalen transcriptiefactoren of een gen wordt afgelezen: eiwitten die aan het DNA binden, meestal met meerdere tegelijk. Een activator bevordert de transcriptie juist, in plaats van hem te remmen. Doordat er per gen een eigen combinatie van factoren nodig is, kan één cel heel fijnmazig regelen wat er wanneer aanstaat.
Kernbegrippen
- transcriptiefactor
- Eiwit dat bij eukaryoten aan het DNA bindt en bepaalt of een gen wordt afgelezen. Er zijn er meestal meerdere tegelijk nodig.
- activator
- Eiwit dat de transcriptie van een gen juist bevordert, in plaats van hem te remmen.
Genexpressie is dynamisch
Of een gen bereikbaar is, hangt ook af van hoe het DNA is opgeborgen. Het is gewikkeld om eiwitkernen tot nucleosomen; hoe strakker opgerold, hoe minder toegankelijk.
Daarnaast kan er aan het DNA een kleine chemische groep worden gehangen — methylering — wat de genexpressie kan beïnvloeden zonder dat de basenvolgorde verandert. Zulke patronen kunnen bij celdeling worden behouden. Overerving via geslachtscellen hangt van het mechanisme en organisme af: dat is het terrein van de epigenetica. Een derde route is RNAi, waarbij kleine RNA-moleculen het mRNA blokkeren of afbreken, zodat er alsnog geen eiwit komt.
Kernbegrippen
- nucleosoom
- Pakketje DNA gewikkeld om een kern van eiwitten. Hoe strakker het DNA is opgerold, hoe minder toegankelijk de genen zijn.
- methylering
- Het aanhangen van kleine chemische groepen aan het DNA, waardoor een gen wordt uitgeschakeld zonder dat de basenvolgorde verandert.
- epigenetica
- Veranderingen in genexpressie zonder verandering in basenvolgorde, bijvoorbeeld via DNA-methylering. Patronen kunnen bij celdeling worden behouden; doorgifte tussen generaties is contextafhankelijk.
Als de regulatie stukgaat
Mutagene factoren — uv-straling, röntgenstraling, stoffen uit rook — vergroten de kans op mutaties. Raakt daarbij een gen dat over celdeling gaat, dan kan de regulatie zelf ontsporen.
Twee soorten genen zijn daarbij van belang. Een proto-oncogen stimuleert normaal de celdeling; door een mutatie kan het blijvend aanstaan en wordt het een oncogen — het gaspedaal blijft ingedrukt. Een tumorsuppressorgen remt juist af of laat een beschadigde cel afsterven; valt het uit, dan is de rem weg. Meestal is er meer dan één zo'n mutatie nodig voordat een cel echt ongecontroleerd gaat delen.
Kernbegrippen
- mutagene factor
- Invloed die de kans op mutaties vergroot, zoals uv-straling, röntgenstraling of bepaalde stoffen uit rook.
- proto-oncogen
- Normaal gen dat celdeling stimuleert. Door een mutatie kan het blijvend aanstaan en wordt het een oncogen.
- tumorsuppressorgen
- Gen dat celdeling juist afremt of een beschadigde cel laat afsterven. Valt het uit, dan verdwijnt die rem.
DNA als informatiedrager
DNA is de informatiedrager van al het leven. De genetische informatie ligt in de volgorde van vier basen, en met de genetische code valt daaruit af te lezen welke aminozuren er in een eiwit komen.
Dat die code bij bacteriën, planten, schimmels en dieren vrijwel gelijk is, is een sterk argument voor gemeenschappelijke afstamming. Het heeft ook een praktisch gevolg: een geschikt menselijk coderend DNA-fragment met passende regelgebieden in een bacterie een menselijk eiwit kan opleveren. Introns en benodigde eiwitbewerking kunnen aanvullende aanpassingen vragen.
Het genoom is alle erfelijke informatie van een organisme bij elkaar. De omvang daarvan zegt weinig over de ingewikkeldheid — sommige planten en amfibieën hebben een veel groter genoom dan de mens. Wat telt is welke genen er zijn en hoe ze geregeld worden.
Kernbegrippen
- genetische informatie
- Informatie in de basenvolgorde van erfelijk materiaal, waaronder instructies voor functionele RNA-producten en eiwitten en gebieden die expressie beïnvloeden.
- genoom
- Alle erfelijke informatie van een organisme bij elkaar: de complete basenvolgorde van één set chromosomen, ook de stukken die nergens voor coderen.
Verwantschap uit DNA
Bij elke generatie sluipen er veranderingen in de basenvolgorde. Twee soorten die pas kort geleden uiteen zijn gegaan, hebben er weinig kunnen verzamelen; soorten die al lang gescheiden zijn, verschillen op veel meer plaatsen.
DNA-analyse maakt daar gebruik van. Door bij verschillende soorten dezelfde stukken DNA te vergelijken en de verschillen te tellen, is de graad van verwantschap vast te stellen en de volgorde van vertakken in een cladogram te onderbouwen.
Welk stuk je kiest hangt af van de vraag. Genen die nauwelijks veranderen zijn bruikbaar over grote afstanden in de stamboom; sneller veranderende stukken en mitochondriaal DNA passen bij nauw verwante soorten en bij vragen binnen één soort, zoals afstamming en migratie.
Kernbegrippen
- DNA-analyse
- Onderzoek aan de basenvolgorde, bijvoorbeeld om soorten of individuen te vergelijken; hoe minder verschillen, hoe nauwer de verwantschap.
- verwantschap
- Mate waarin soorten een gemeenschappelijke voorouder delen. Hoe recenter die voorouder, hoe meer bouw en DNA op elkaar lijken.
DNA-replicatie en meetgegevens
Voor een celdeling wordt het DNA gekopieerd. De twee oude strengen worden plaatselijk gescheiden en ieder dient als matrijs voor een nieuwe complementaire streng. Elke nieuwe DNA-dubbelhelix bevat daardoor één oude en één nieuwe streng: semiconservatieve replicatie.
DNA-polymerase kan nucleotiden toevoegen aan het 3’-uiteinde van een groeiende streng en heeft een primer nodig. De nieuwe streng groeit in de richting 5’ naar 3’. Omdat de twee matrijsstrengen tegengesteld lopen, kan bij een replicatievork één nieuwe streng doorgaand worden gemaakt; de andere ontstaat in stukken die later aan elkaar worden verbonden. Voor havo is vooral het principe van kopiëren en complementariteit van belang; de enzymatische uitwerking biedt verdieping.
Verdubbeling van DNA verandert de ploïdie niet vanzelf. Een diploïde cel blijft na de S-fase diploïd, maar ieder chromosoom heeft twee chromatiden. Bij een grafiek over DNA-hoeveelheid kijk je daarom eerst of de meting per cel, per kern of per chromosoom gegeven is.
PCR vermeerdert een geselecteerd DNA-fragment buiten een cel. Primers bepalen welk fragment wordt gekopieerd. Een groot aantal kopieën helpt bij analyse, maar bewijst niet uit zichzelf van welk persoon of welke soort het oorspronkelijke materiaal komt.
Kernbegrippen
- DNA-replicatie
- Kopiëren van DNA met bestaande strengen als matrijs.
- Semiconservatief
- Iedere gevormde dubbele DNA-streng bevat een oude en een nieuwe streng.
Celcyclus, mitose en kanker
Voordat een cel deelt, kopieert zij in de S-fase haar DNA. Een verdubbeld chromosoom bestaat dan uit twee zusterchromatiden die bij het centromeer samenhangen. Verdubbeling van de hoeveelheid DNA verdubbelt niet meteen het aantal chromosomen: tel de centromeren, niet de losse chromatiden.
Bij mitose worden de zusterchromatiden verdeeld over twee nieuwe celkernen. Na de deling van het cytoplasma ontstaan meestal twee dochtercellen met hetzelfde chromosoomaantal als de moedercel. Mitose maakt groei, herstel en veel vormen van ongeslachtelijke voortplanting mogelijk. Meiose heeft een andere uitkomst: na één DNA-verdubbeling volgen twee delingen en ontstaan haploïde cellen.
Controlepunten in de celcyclus beperken deling als DNA beschadigd is. Reparatie of apoptose kan voorkomen dat een beschadigde cel verder deelt. Kanker kan ontstaan als veranderingen in meerdere regelgenen groei en deling ontregelen. Een tumor is niet automatisch kwaadaardig; ingroei in omliggend weefsel en verspreiding van tumorcellen kenmerken kwaadaardigheid. Een mutatie in een lichaamscel gaat meestal niet naar kinderen, maar kan wel aan de dochtercellen van die cel worden doorgegeven.
Kernbegrippen
- Celcyclus
- Reeks groeifasen, DNA-replicatie en deling die een delende cel doorloopt.
- Mitose
- Kerndeling waarbij zusterchromatiden over twee kernen worden verdeeld.
- Zusterchromatiden
- De twee DNA-kopieën van een verdubbeld chromosoom.
Typen mutaties
Een mutatie is een blijvende verandering in het erfelijk materiaal. Op de kleinste schaal gaat het om één base: een puntmutatie. Door de reservecapaciteit in de genetische code verandert het aminozuur daarbij lang niet altijd.
Een insertie voegt basen toe, een deletie haalt ze weg. In een eiwitcoderend gedeelte verschuift bij een aantal dat geen veelvoud van drie is het leesraam; downstream veranderen codons en kan vroeg een stopcodon ontstaan. Zo'n leesraamverschuiving heeft daardoor veel grotere gevolgen dan één verwisselde base.
Op de grootste schaal staat de genoommutatie: het aantal hele chromosomen verandert, doordat een paar bij de meiose niet uit elkaar gaat. Voor alle typen geldt hetzelfde onderscheid — een mutatie in een geslachtscel kan bij bevruchting worden doorgegeven. Een mutatie in een lichaamscel kan aan haar dochtercellen worden doorgegeven en bereikt bij menselijke geslachtelijke voortplanting gewoonlijk niet de kinderen. Bij ongeslachtelijke voortplanting kan zij wel in een nieuw individu terechtkomen.
Kernbegrippen
- puntmutatie
- Verandering van één enkele base. Door de reservecapaciteit van de genetische code blijft het aminozuur soms gelijk, maar er kan ook een ander of een stopsignaal uitkomen.
- deletie
- Verlies van een of meer basen, of van een heel stuk chromosoom; de informatie die daar stond is verdwenen.
- insertie
- Inlassing van een of meer extra basen in de streng, waardoor de rest van de code kan gaan schuiven.
Oorzaken en herstel
Mutaties ontstaan ook uit zichzelf, doordat het kopiëren van DNA nooit helemaal foutloos verloopt. Mutagene stoffen en mutagene straling verhogen dat aantal: teer uit sigarettenrook, sommige bestrijdingsmiddelen, uv-licht, röntgen- en gammastraling.
Daar staat het DNA-repairsysteem tegenover. Enzymen lopen de streng na, herkennen een beschadiging of een kopieerfout en herstellen die aan de hand van de andere streng. Verreweg de meeste fouten worden zo weggewerkt, nog voordat de cel deelt.
Wat ontsnapt, ligt vast. Zit de fout in een gen dat de celdeling regelt, dan kan de cel ongeremd gaan delen. Zit hij in een geslachtscel die aan een bevruchting deelneemt, dan kan hij naar de volgende generatie gaan. Genetische modificatie is hiervan het spiegelbeeld: daar wordt het DNA juist doelbewust veranderd.
Kernbegrippen
- mutagene stof
- Chemische stof die de kans op een verandering in het DNA verhoogt, zoals teer uit sigarettenrook of sommige bestrijdingsmiddelen.
- mutagene straling
- Straling met genoeg energie om het DNA te beschadigen, zoals uv-licht, röntgen- en gammastraling; hoe langer de blootstelling, hoe groter het risico.
- DNA-repairsysteem
- Enzymen die de streng nalopen, beschadigingen en kopieerfouten opsporen en ze herstellen aan de hand van de andere streng.
Mutaties zijn toevallig
Een mutatie is geen antwoord op een behoefte. Ze treft een willekeurige plaats in het DNA, en of het resultaat gunstig uitpakt hangt volledig af van de omgeving waarin het individu leeft.
Verreweg de meeste veranderingen zijn neutraal of nadelig. Een eiwit dat al miljoenen jaren naar behoren werkt, wordt door een willekeurige wijziging zelden beter. Toch zit er af en toe een bij die de overlevingskans vergroot, en juist die wordt door selectie talrijker.
De volgorde is dus omgekeerd aan wat het lijkt. Bacteriën worden niet resistent doordat er een antibioticum is; er was toevallig al een resistente bacterie, en het antibioticum ruimt de rest op. Zonder toevallige mutaties zou er geen materiaal zijn waarop selectie kan aangrijpen.
Kernbegrippen
- overlevingskans
- Kans dat een individu lang genoeg blijft leven om nakomelingen te krijgen; een toevallige verandering in het DNA kan die kans verhogen of verlagen.
Genetische modificatietechnieken
Met recombinant-DNA-technologie wordt DNA van verschillende herkomst samengevoegd. Een gen wordt met restrictie-enzymen uitgeknipt, in een plasmide of een virus gezet en zo een gastheercel binnengebracht, die het vervolgens afleest alsof het van haarzelf is. Bacteriën maken op die manier menselijke insuline.
Bij planten wordt onderscheid gemaakt naar de herkomst van het gen. Een cisgeen komt uit dezelfde soort of uit een soort waarmee kruisen mogelijk is; hetzelfde resultaat was met langdurig veredelen in principe ook te bereiken. Een transgeen komt uit een soort waarmee kruisen onmogelijk is, bijvoorbeeld een bacteriegen in een maïsplant.
Dat onderscheid is niet alleen technisch. Het speelt een rol in de discussie over toelating en etikettering, en in de vraag hoe ingrijpend zo'n verandering eigenlijk is.
Kernbegrippen
- recombinant-DNA-technologie
- Techniek waarbij DNA van verschillende herkomst wordt samengevoegd, zodat een organisme een eiwit maakt dat het van zichzelf niet maakt.
- cisgeen
- Van een ingebracht gen dat uit dezelfde soort komt of uit een soort waarmee kruisen mogelijk is; met langdurig veredelen was hetzelfde in principe haalbaar.
- transgeen
- Van een ingebracht gen dat uit een soort komt waarmee kruisen onmogelijk is, bijvoorbeeld een bacteriegen in een maïsplant.
DNA-technieken en afwegingen
Bij DNA-analyse stel je eerst vast wat de techniek meet. PCR vergroot de hoeveelheid van een afgebakend fragment. Bij gelelektroforese worden DNA-fragmenten op lengte gescheiden; kleinere fragmenten bewegen doorgaans verder door de gel. Sequencing levert informatie over de basenvolgorde. Een bandenpatroon en een basenvolgorde zijn dus verschillende soorten gegevens.
Een DNA-profiel vergelijkt gekozen variabele plaatsen. Een overeenkomst kan een hypothese ondersteunen, maar interpretatie vraagt controle op mengsporen, verontreiniging en de kans op toeval. De techniek leest niet automatisch iemands volledige fenotype.
Bij genetische modificatie wordt erfelijke informatie gericht veranderd of ingebracht. Een plasmide kan als vector dienen. Bij genbewerking, bijvoorbeeld met CRISPR-Cas, wordt een gekozen DNA-plaats aangepakt; het resultaat moet worden gecontroleerd omdat ongewenste veranderingen mogelijk zijn.
Een biologische afweging beschrijft gevolgen voor organismen en systemen. Een ethische afweging gaat ook over waarden, toestemming, verdeling van voordeel en risico, en aanvaardbaarheid. Het bestaan van een technische mogelijkheid is niet hetzelfde als een reden om haar toe te passen. Benoem bij een beargumenteerd oordeel daarom een concreet voordeel, een concreet risico en de waarde waarop je uiteindelijke keuze berust.
Kernbegrippen
- Gelelektroforese
- Scheiding van geladen moleculen in een gel onder invloed van een elektrisch veld.
- Sequencing
- Bepalen van de basenvolgorde van DNA of RNA.
- Vector
- Drager waarmee erfelijk materiaal in een cel kan worden gebracht.
Veelgemaakte denkfout
Let hierop
DNA-verdubbeling verandert niet vanzelf het chromosoomaantal.
Actief ophalen
Controleer of je het begrijpt
Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.
- Waarom heet replicatie semiconservatief?
- Waarom maken verschillende celtypen andere eiwitten?
- Wat meet een DNA-techniek wel en wat kun je er niet uit afleiden?
Verantwoording
De inhoud is door BiologieBoost geselecteerd voor VWO · Biologie voor jou · leerjaar 5, met het landelijke examenprogramma als inhoudelijke basis. De methode-indeling is gecontroleerd aan de openbare inhoudsopgaven van Noordhoff en Malmberg. De uitleg, voorbeelden en zelfcheck zijn eigen werk; deze pagina is geen officiële uitgeversuitgave. Begrippen uit de oorspronkelijke CvTE-lijst zijn geselecteerd voor dit programma. Biologische naslag: OpenStax Biology.
Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.
Van begrijpen naar toepassen
Oefen verder met dna
Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.
