Waarom dit helpt
Volg filtratie, terugresorptie en hormonale regeling om veranderingen in urinevolume en concentratie te voorspellen.
Filtratie is selectief op grootte en druk
In het nierlichaampje perst bloeddruk water en kleine opgeloste stoffen uit de haarvaten. Bloedcellen en de meeste grote eiwitten blijven in het bloed. Glucose in de voorurine betekent dus niet meteen dat het afval is; het wordt normaal later teruggeresorbeerd.
De filtratiesnelheid hangt onder meer af van druk en het filteroppervlak. Een ernstige daling van bloeddruk kan daardoor de filtratie verminderen, wat gevolgen heeft voor uitscheiding en homeostase.
Terugresorptie vraagt selectief transport
Nierbuiscellen nemen stoffen als glucose en ionen terug op. Actief transport kan concentratieverschillen opbouwen; water volgt vervolgens osmotisch. De haarvaten rond het nierbuisje voeren teruggenomen stoffen af.
Transporteiwitten hebben een maximale capaciteit. Wanneer bloedglucose extreem hoog is, kunnen niet alle glucosemoleculen worden teruggenomen en verschijnt glucose in de urine. Die opgeloste stof houdt water in het filtraat en kan het urinevolume verhogen.
ADH verandert waterdoorlaatbaarheid
Bij een hoge osmotische waarde van het bloed registreren receptoren dat relatief weinig water beschikbaar is. Er wordt meer ADH afgegeven. Daardoor worden delen van het verzamelbuissysteem beter doorlaatbaar voor water en wordt meer water teruggeresorbeerd.
Het urinevolume daalt en de urine wordt geconcentreerder. Na veel drinken gebeurt het omgekeerde: minder ADH, minder waterterugresorptie en een groter volume verdunde urine. ADH voegt geen water toe; het verandert hoeveel gefiltreerd water terugkeert naar het bloed.
Maak voorspellingen met twee grootheden
Noem bij niervragen zowel urinevolume als urineconcentratie. Meer waterterugresorptie geeft weinig, geconcentreerde urine; minder terugresorptie geeft veel, verdunde urine. Let erop welke stofconcentratie wordt bedoeld: per liter urine kan iets stijgen terwijl de totale uitgescheiden hoeveelheid anders verandert.
Verbind de regeling aan negatieve terugkoppeling. Als water terugkeert, daalt de osmotische waarde van het bloed richting de norm. Daarmee vermindert de oorspronkelijke prikkel voor ADH-afgifte.
Veelgemaakte denkfouten
Controleer deze drie punten
- Voorurine is niet hetzelfde als uiteindelijke urine.
- ADH beïnvloedt vooral waterterugresorptie en maakt zelf geen water.
- Concentratie in urine en totale uitscheiding per dag zijn verschillende grootheden.
Actief ophalen
Kun je dit zonder terugkijken?
- Waarom zit glucose wel in voorurine maar normaal nauwelijks in urine?
- Voorspel ADH, urinevolume en urineconcentratie na sterk waterverlies.
- Leg uit hoe glucose in urine extra waterverlies kan veroorzaken.
Redactionele verantwoording
Dit artikel is in eigen woorden geschreven door BiologieBoost en sluit aan bij de biologische redeneerwijzen en onderwerpen uit de syllabus biologie vwo. Het is geen kopie of bewerking van een lesmethode.
Lees meer over onze werkwijze op Bronvermelding of meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.
Terug naar de leerlijn
Gaswisseling en uitscheiding
Lees het volledige theoriehoofdstuk of oefen dezelfde stof met flitskaarten en examenopgaven.