Hoofdstuk 3 · VWO · Biologie voor jou · leerjaar 4

Genetica

Van genotypen naar kansen en eigenschappen. Leid mogelijke gameten af uit de ouders en pas daarna de kansen op nakomelingen toe. Gebruik een stamboom om onmogelijke verklaringen uit te sluiten.

Dit kun je uitleggen

  • Je kunt in een context uitleggen dat een fenotype ontstaat onder invloed van een combinatie van genotype en milieufactoren.
  • Je kunt in een context benoemen dat de genen zijn verdeeld over autosomen en geslachtschromosomen.
  • Je kunt in een context bepalen aan de hand van stambomen of kruisingsschema’s wat de kans is op een bepaald genotype en een bepaald fenotype bij monohybride en dihybride kruisingen.
  • Je kunt in een context verklaren dat mitochondriale overerving en epigenetica kunnen leiden tot een ander overervingspatroon (dan volgens de wetten van Mendel).
  • Je kunt in een context toelichten met behulp van ethische en biologische argumenten dat er verschillende standpunten zijn over het ingrijpen in de erfelijkheid van prokaryote en eukaryote organismen.
  • Je kunt in een context uitleggen hoe bij geslachtelijke voortplanting.
  • Je kunt in een context uitleggen hoe genetische variatie in een.
  • Je rekent met twee onafhankelijk overervende genenparen.

Zo hangt de stof samen

Leid mogelijke gameten af uit de ouders en pas daarna de kansen op nakomelingen toe. Gebruik een stamboom om onmogelijke verklaringen uit te sluiten.

01

Genotype, fenotype en milieu

Een gen is een stuk DNA dat wordt afgelezen tot een functioneel RNA-product; bij een eiwitcoderend gen kan dat RNA de informatie voor een eiwit leveren. Van elk gen bestaan varianten: de allelen. Alle allelen van een individu samen vormen het genotype; alle erfelijke informatie bij elkaar heet het genoom.

Wat je uiteindelijk waarneemt is het fenotype, en dat is nooit alleen een aflezing van het genotype. Milieufactoren als voeding, licht, temperatuur en leefwijze bepalen mee hoe een aanleg tot uiting komt. Een tekort aan mineralen kan de groei van een plant beperken, ook bij aanleg voor grote groei. Eeneiige tweelingen met vrijwel hetzelfde genotype kunnen door verschillende omstandigheden verschillen ontwikkelen.

Het fenotype ontstaat door genotype, omgeving en hun onderlinge wisselwerking. De schoolformule “genotype + milieu” is een geheugensteun, geen letterlijk optelsommetje. Bij het ene kenmerk, zoals bloedgroep, weegt het genotype vrijwel alles; bij het andere, zoals lichaamsgewicht, doet het milieu stevig mee.

Kernbegrippen

gen
Stuk DNA dat wordt afgelezen tot een functioneel RNA-product. Bij eiwitcoderende genen levert RNA de informatie voor een eiwit; verschillende RNA-bewerkingen kunnen meerdere producten opleveren.
allel
Variant van een gen, op dezelfde plaats van het chromosoom; verschillende varianten leveren verschillende uitvoeringen van hetzelfde kenmerk op.
genoom
Alle erfelijke informatie van een organisme bij elkaar: de complete basenvolgorde van één set chromosomen, ook de stukken die nergens voor coderen.
02

Autosomen en geslachtschromosomen

De meeste menselijke lichaamscellen met een kern hebben 46 chromosomen: 22 paar autosomen en één paar geslachtschromosomen. Geslachtelijke ontwikkeling hangt samen met chromosomen, genen en hormonen.

In het gebruikelijke XX/XY-model hebben vrouwen XX en mannen XY. Eicellen dragen dan X; zaadcellen dragen X of Y. Een functioneel SRY-gen, meestal op het Y-chromosoom, kan de ontwikkeling van teelballen op gang brengen. Hun hormonen beïnvloeden de verdere ontwikkeling. Er bestaan ook andere chromosoomcombinaties en variaties in deze genen of hormoonreacties; XX/XY beschrijft niet iedere persoon.

Het X-chromosoom is veel groter en draagt daarnaast honderden gewone genen, die met geslacht niets te maken hebben. Ze erven wel anders over, omdat iemand met XY maar één X-chromosoom heeft.

Kernbegrippen

chromosoom
Sterk opgerolde DNA-streng met bijbehorende eiwitten; in die compacte vorm is het erfelijk materiaal bij een deling over de dochtercellen te verdelen.
autosoom
Chromosoom dat bij man en vrouw hetzelfde is en niets met geslachtsbepaling te maken heeft; de mens heeft er tweeëntwintig paar van.
geslachtschromosoom
Chromosoom dat bepaalt welk geslacht een individu krijgt; bij de mens vormen X en Y samen dat ene paar.
03

Kruisingen en stambomen

Bij een monohybride kruising volg je één eigenschap. Bij Aa × Aa en volledige dominantie is de verwachte fenotypeverhouding 3:1; de genotypeverhouding is 1:2:1. Dit zijn kansen, geen garantie voor kleine aantallen nakomelingen. Is de dominantie onvolledig, dan is de heterozygoot intermediair en wordt die verhouding 1:2:1.

Bij een dihybride kruising volg je twee eigenschappen tegelijk. Bij AaBb × AaBb, onafhankelijke overerving en volledige dominantie voor beide kenmerken verwacht je 9:3:3:1. Andere oudergenotypen geven andere verhoudingen. Zijn het gekoppelde genen, op hetzelfde chromosoom, dan gaan ze meestal samen over en klopt die verhouding niet.

Een kruisingsschema rekent zulke kansen vooruit; een stamboom werkt terug. Daaruit leid je af of een allel dominant, recessief of X-chromosomaal is, en welke genotypen de familieleden moeten hebben. Let daarbij op multipele allelen en op een letale factor, die de verwachte verhouding vertekent.

Kernbegrippen

monohybride kruising
Kruising waarbij je één eigenschap volgt, dus één genenpaar. Twee heterozygote ouders leveren bij volledige dominantie de verhouding 3:1 op.
dihybride kruising
Kruising waarbij je twee eigenschappen tegelijk volgt. Liggen die genen op verschillende chromosomen, dan geeft dat bij twee heterozygoten 9:3:3:1.
dominant
Van een allel dat al bij één exemplaar zichtbaar wordt en de andere variant dus overheerst; met een hoofdletter genoteerd.
04

Waar Mendel ophoudt

Niet elk overervingspatroon volgt de wetten van Mendel. Mitochondriën hebben hun eigen kleine, cirkelvormige DNA, en dat komt uitsluitend uit de eicel; de mitochondriën van de zaadcel doen niet mee. Mitochondriaal DNA erft bij de mens doorgaans via de moeder over. De hoeveelheid veranderd mitochondriaal DNA kan tussen eicellen en weefsels verschillen, zodat niet ieder kind dezelfde klachten hoeft te krijgen.

Epigenetica levert een tweede afwijking. Daarbij verandert de basenvolgorde niet, maar wel de mate waarin genen worden afgelezen — door merktekens op het DNA en op de eiwitten waaromheen het gewikkeld zit. Voeding, stress en andere omstandigheden beïnvloeden die merktekens, en zulke patronen kunnen bij celdeling worden behouden. Doorgifte via geslachtscellen is beperkter en hangt van het mechanisme en organisme af; een omgevingsinvloed is niet automatisch erfelijk voor volgende generaties.

In allebei de gevallen zie je in een stamboom patronen die met een gewoon kruisingsschema niet te verklaren zijn.

Kernbegrippen

mitochondriaal DNA
DNA in mitochondriën. Bij de mens erft het doorgaans via de eicel over; de hoeveelheid veranderd DNA en de gevolgen kunnen tussen kinderen en weefsels verschillen.
epigenetica
Veranderingen in genexpressie zonder verandering in basenvolgorde, bijvoorbeeld via DNA-methylering. Patronen kunnen bij celdeling worden behouden; doorgifte tussen generaties is contextafhankelijk.
05

Ingrijpen in de erfelijkheid

Erfelijk materiaal is te veranderen: bij bacteriën die daarna een medicijn produceren, bij gewassen die tegen een ziekte bestand zijn, en in principe ook bij de mens. Of dat mag, is een andere vraag dan of het kan.

Een biologisch argument steunt op vakkennis en gegevens. Hoe groot is de kans dat een ingebracht gen in een andere soort terechtkomt? Wat betekent één gewas op grote schaal voor de genetische variatie? Werkt zo'n aanpassing over tien jaar nog, of ontstaat er resistentie?

Een ethisch argument gaat over goed en kwaad en volgt niet uit metingen: mag je een dier veranderen voor menselijk nut, en waar ligt de grens tussen een ziekte genezen en een kind ontwerpen? Wie een standpunt onderbouwt, heeft beide soorten argumenten nodig.

Kernbegrippen

ethisch argument
Argument over wat wel en niet hoort: welke waarde je aan een embryo of dier toekent en wie mag beslissen. Het volgt niet uit metingen.
biologisch argument
Argument dat op vakkennis en onderzoeksgegevens berust, bijvoorbeeld over slaagkans, erfelijke risico's of gevolgen voor de variatie in een populatie.
06

Recombinatie bij de meiose

Geslachtelijke voortplanting kan nieuwe combinaties van bestaande allelen opleveren. Dat wordt geregeld in de meiose.

De chromosomen liggen daar in homologe paren: van elk paar komt er één van de vader en één van de moeder, met dezelfde genen op dezelfde plaatsen maar niet dezelfde allelen. Bij de eerste deling worden die paren onafhankelijk van elkaar over de dochtercellen verdeeld — 23 paren leveren al miljoenen mogelijke combinaties op.

Daar komt crossing-over bij. Homologe chromosomen leggen zich tegen elkaar aan en wisselen overeenkomstige stukken uit, waardoor gekoppelde genen die anders samen zouden overgaan in nieuwe combinaties terechtkomen. Een gameet kan daardoor een recombinant chromosoom krijgen. Zonder crossing-over in het betrokken gebied kunnen de allelen ook in de oorspronkelijke combinatie worden doorgegeven.

Kernbegrippen

geslachtelijke voortplanting
Voortplanting waarbij twee gameten versmelten, zodat de nakomeling een nieuwe combinatie van erfelijke eigenschappen krijgt.
meiose
Reductiedeling: twee delingen achter elkaar leveren vier cellen met elk half zoveel chromosomen, en door crossing-over telkens een andere combinatie allelen.
haplotype
Combinatie van allelen die op één chromosoom naast elkaar ligt en daardoor als geheel wordt doorgegeven.
07

Variatie in een populatie

De genenpool is het geheel van allelen in een populatie. Twee processen bepalen hoe rijk die is. Mutatie levert nieuwe allelen en is daarmee de enige bron van echt nieuw materiaal. Recombinatie levert nieuwe combinaties van allelen die er al waren, en zorgt ervoor dat vrijwel elk individu een eigen genotype en dus een eigen fenotype heeft.

Die variatie is de speelruimte van een populatie. Verandert het milieu, dan is de kans groter dat er individuen tussen zitten met een aanpassing die past. De populatie als geheel houdt het dan vol, ook al redden veel individuen het niet.

Inteelt werkt de andere kant op. Voortplanting tussen nauwe verwanten maakt nakomelingen vaker homozygoot, waardoor schadelijke recessieve allelen vaker tot uiting kunnen komen. Inteelt vergroot de homozygotie; zij verwijdert niet op zichzelf meteen allelen uit de genenpool. Verlies van allelen ontstaat bijvoorbeeld door drift in kleine populaties. Kleine, geïsoleerde populaties lopen daar tegenaan.

Kernbegrippen

genetische variatie
De verscheidenheid aan allelen binnen een populatie; hoe groter die is, hoe meer kans dat er individuen bij zitten die een verandering overleven.
mutatie
Blijvende verandering in erfelijk materiaal. Of zij aan een nieuw individu wordt doorgegeven, hangt af van de getroffen cellen en wijze van voortplanting.
recombinatie
Nieuwe combinaties van bestaande allelen, ontstaan bij de meiose en de bevruchting; er komt geen enkel allel bij, ze worden alleen anders verdeeld.
08

Twee genenparen, koppeling en kansen

Een dihybride kruising volgt twee genenparen. Als die onafhankelijk overerven, vormt AaBb de gameten AB, Ab, aB en ab met gelijke kansen. Bij AaBb × AaBb kun je de kans op aaBb berekenen als de kans op aa vermenigvuldigd met die op Bb: een kwart maal een helft is een achtste. De verhouding 9:3:3:1 geldt alleen onder passende aannames, zoals volledige dominantie, onafhankelijke overerving en gelijke overleving.

Genen op hetzelfde chromosoom kunnen gekoppeld overerven. Dan is het belangrijk op welke homologe chromosomen de allelen liggen: AB/ab is iets anders dan Ab/aB. Crossing-over tussen niet-zusterchromatiden kan nieuwe combinaties opleveren. De ouderlijke en recombinante gameten hoeven daardoor niet even vaak voor te komen.

Bij een testcross met een dubbel recessieve ouder weerspiegelen de fenotypen van de nakomelingen de gameten van de andere ouder. Veel meer ouderlijke dan recombinante combinaties past bij koppeling. Zonder gegevens over recombinatiefrequentie mag je gekoppelde genen niet behandelen alsof zij onafhankelijk zijn.

Het model verklaart kansen, geen voorgeschreven aantallen bij een kleine groep. Vergelijk waargenomen aantallen met de verwachtingen en bespreek steekproefvariatie voordat je concludeert dat het model onjuist is.

Kernbegrippen

Testcross
Kruising met een recessieve ouder om de gameten of aanleg van de andere ouder te onderzoeken.
Recombinatiefrequentie
Aandeel recombinante combinaties in de onderzochte nakomelingen of gameten.

Let hierop

Dominant betekent niet vaker voorkomend of gunstiger.

Controleer of je het begrijpt

Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.

  1. Welke kansen volgen uit Aa × Aa?
  2. Hoe verandert het schema bij X-chromosomale overerving?
  3. Waarom kunnen gelijke genotypen verschillende fenotypen hebben?
  4. Hoe verandert een dihybride kruising wanneer de genen gekoppeld zijn?

Verantwoording

De inhoud is door BiologieBoost geselecteerd voor VWO · Biologie voor jou · leerjaar 4, met het landelijke examenprogramma als inhoudelijke basis. De methode-indeling is gecontroleerd aan de openbare inhoudsopgaven van Noordhoff en Malmberg. De uitleg, voorbeelden en zelfcheck zijn eigen werk; deze pagina is geen officiële uitgeversuitgave. Begrippen uit de oorspronkelijke CvTE-lijst zijn geselecteerd voor dit programma. Biologische naslag: OpenStax Biology.

Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.

Oefen verder met genetica

Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.

Naar de oefeningen