BiologieBoost
Upgrade · 7 dagen gratis🔥 0

Hoofdstuk 18 · Theorie biologie vwo

Eiwitten

Van gen naar eiwit, en van glucose naar energie: de chemie waar elke cel op draait.

Dit kun je uitleggen

  • Je kunt in een context toelichten hoe eiwitten gevormd worden op basis van de relatie tussen codon en aminozuur.
  • Je kunt in een context beschrijven hoe de processen van transcriptie en translatie verlopen.
  • Je kunt in een context toelichten hoe de aminozuurvolgorde (primaire structuur) van een eiwit de bouw en werking van het eiwit bepaalt.
  • Je kunt in een context beschrijven dat cellen stoffen opnemen en.
  • Je kunt in een context beschrijven dat in cellen chemische reacties plaatsvinden, gekatalyseerd door enzymen.
  • Je kunt in een context beschrijven dat er verschillende vormen van energie zijn.
  • Je kunt in een context beschrijven hoe fotosynthese verloopt in cellen met chloroplasten.
  • Je kunt in een context beschrijven dat assimilatieprocessen plaatsvinden in planten en dieren.

Zo hangt de stof samen

Koppel bij eiwitten steeds vier niveaus: aminozuurvolgorde, vouwing, bindingsplaats en functie. Enzymen versnellen een reactie door de activeringsenergie te verlagen; temperatuur en pH beïnvloeden daarbij vooral de vorm en beweging van moleculen.

01

Van code naar aminozuur

Een eiwit is een keten aminozuren, en welke aminozuren dat zijn staat in het DNA. De code werkt in drietallen: elk codon van drie basen staat voor één aminozuur. Met vier basen levert dat 64 combinaties voor twintig aminozuren, dus meerdere codons betekenen hetzelfde — de code is redundant, maar nooit dubbelzinnig.

Twee codons doen iets anders. Het startcodon AUG geeft aan waar het aflezen begint, en levert meteen het eerste aminozuur. Bij een stopcodon hoort geen aminozuur; daar laat het ribosoom de keten los.

Kernbegrippen

aminozuur
Bouwsteen van eiwitten, met een aminogroep, een zuurgroep en een zijketen die per aminozuur verschilt. Twintig soorten volstaan voor elk eiwit.
eiwit
Keten van aminozuren die zich opvouwt tot een vorm; die vorm bepaalt wat het molecuul kan — enzym, receptor, transporteiwit of bouwmateriaal.
proteïne
Andere naam voor eiwit; komt vooral in de scheikundige en voedingskundige literatuur voor.
02

Transcriptie en translatie

De eiwitsynthese verloopt in twee stappen, op twee plaatsen. Bij de transcriptie wordt in de kern één gen overgeschreven naar mRNA. Van de twee DNA-strengen dient de matrijsstreng als mal; het mRNA wordt daar complementair aan gebouwd, en komt dus overeen met de coderende streng. Het aflezen gebeurt altijd in dezelfde richting.

Het mRNA verlaat de kern en gaat naar een ribosoom in het cytoplasma. Daar volgt de translatie: tRNA-moleculen brengen elk hun eigen aminozuur aan en klikken met hun anticodon op het passende codon. Het ribosoom, dat zelf uit rRNA en eiwitten bestaat, koppelt de aminozuren aan elkaar.

Eiwitten die de cel gaat uitscheiden, worden gemaakt aan het ruwe endoplasmatisch reticulum en verder afgewerkt en verpakt in het golgi-systeem.

Kernbegrippen

transcriptie
Overschrijven van een stuk DNA naar mRNA in de kern; alleen het gen dat op dat moment nodig is wordt gekopieerd.
translatie
Aan het ribosoom wordt de basenvolgorde van het mRNA codon voor codon omgezet in een keten aminozuren.
mRNA
Kopie van een gen die de kern verlaat en de code naar het ribosoom brengt; boodschapper tussen DNA en eiwit.
03

Van keten naar werkend eiwit

De volgorde van de aminozuren — de primaire structuur — ligt vast in het gen en bepaalt alles wat daarna gebeurt. De keten vouwt zichzelf op: eerst plaatselijk tot spiralen en vouwbladen (secundair), dan tot de complete ruimtelijke vorm van één keten (tertiair), vastgezet door onder meer zwavelbruggen. Bestaat het eiwit uit meerdere ketens samen, zoals hemoglobine, dan heet dat de quaternaire structuur.

Die vorm ís de functie. Een enzym past alleen op zijn substraat als het goed gevouwen is. Eén verkeerd aminozuur kan de vouwing veranderen en het eiwit onbruikbaar maken — dat is waarom een puntmutatie zulke grote gevolgen kan hebben.

Kernbegrippen

primaire structuur
De volgorde van de aminozuren in de keten. Die volgorde ligt vast in het gen en bepaalt alle vouwing daarna.
secundaire structuur
Plaatselijke vouwing van de keten tot een spiraal of een vouwblad, door waterstofbruggen tussen delen van de ruggengraat.
tertiaire structuur
De ruimtelijke vorm van één complete keten, vastgezet door onder meer zwavelbruggen en aantrekking tussen zijketens.
04

Assimilatie en dissimilatie

Alle stofwisseling valt in twee richtingen uiteen. Bij assimilatie bouwt de cel organische stof op en legt daarbij energie vast. Bij dissimilatie breekt ze die weer af en komt de energie vrij.

Waar de bouwstenen vandaan komen bepaalt het onderscheid autotroof-heterotroof. Een autotroof organisme maakt zijn organische stof zelf uit anorganische stof; een heterotroof organisme moet die uit ander organisch materiaal halen. Dat verschil is de basis onder elke voedselketen.

Kernbegrippen

autotroof
In staat zelf organische stof te maken uit anorganische stof, met licht of met chemische energie als bron.
heterotroof
Kan zelf geen organische stof maken en moet die uit ander organisch materiaal halen.
assimilatie
Opbouwen van organische stof, waarbij energie wordt vastgelegd. De tegenhanger van dissimilatie.
05

Enzymen als katalysator

In een cel gebeurt vrijwel geen enkele chemische reactie vanzelf snel genoeg. Enzymen lossen dat op: ze katalyseren, dat wil zeggen ze verlagen de energie die de reactie nodig heeft om op gang te komen, zonder er zelf bij op te gaan.

Elk enzym doet één ding, want zijn vorm past maar op één substraat. Veel reacties zijn bovendien evenwichtsreacties die beide kanten op kunnen; welke kant overheerst hangt af van de concentraties aan weerszijden — het enzym versnelt alleen, het bepaalt de richting niet.

Kernbegrippen

chemische reactie
Omzetting waarbij bindingen worden verbroken en gevormd, zodat er andere stoffen ontstaan.
katalyseren
Een reactie versnellen door de benodigde activeringsenergie te verlagen, zonder zelf verbruikt te worden.
enzym
Eiwit dat één bepaalde reactie katalyseert. Zijn vorm past alleen op zijn eigen substraat, en die vorm bepaalt dus wat hij doet.
06

Energie in de cel

Energie komt in verschillende vormen voor: chemische energie in bindingen, lichtenergie in straling, kinetische energie in beweging, en warmte — de vorm waarin bij elke omzetting een deel verloren gaat.

De cel rekent intern in ATP. Door aan ADP een derde fosfaatgroep te koppelen sla je energie op; door die er weer af te halen komt hij meteen bruikbaar vrij. Voor het vervoer van waterstof en elektronen zijn er aparte dragers: NAD+ wordt NADH bij de dissimilatie, NADP+ wordt NADPH bij de fotosynthese.

Onder de motorkap gaat het om protonen en elektronen. Een verschil in protonconcentratie over een membraan is precies wat de cel gebruikt om ATP te maken.

Kernbegrippen

chemische energie
Energie die in de bindingen van moleculen ligt opgeslagen en bij afbraak weer beschikbaar komt.
lichtenergie
Energie van straling, die in de lichtreactie van de fotosynthese wordt vastgelegd in chemische vorm.
kinetische energie
Bewegingsenergie, bijvoorbeeld van een samentrekkende spier of van bewegende deeltjes.
07

Fotosynthese in de chloroplast

In de chloroplast, met zijn stapels membranen vol chlorefyl, verloopt de fotosynthese in twee delen.

De lichtreactie heeft licht nodig. Chlorofyl neemt vooral blauw en rood uit het elektromagnetisch spectrum op — groen kaatst het terug, en daarom zien we het blad groen. Met die energie wordt water gesplitst: er komt zuurstof vrij en er ontstaan ATP en NADPH.

De donkerreactie gebruikt die ATP en NADPH om uit koolstofdioxide glucose te bouwen. Licht is daar niet direct voor nodig, al stopt het proces wel als de lichtreactie stilvalt. Samen heet dat C-assimilatie: koolstof vastleggen in organische stof.

Kernbegrippen

fotosynthese
Vastleggen van koolstofdioxide en water tot glucose met licht als energiebron, waarbij zuurstof vrijkomt.
C-assimilatie
Vastleggen van koolstof uit koolstofdioxide in organische stof — het resultaat van de fotosynthese.
chloroplast
Organel met stapels membranen vol chlorofyl; hierin legt de plant lichtenergie vast in glucose.
08

Voortgezette assimilatie

De glucose uit de fotosynthese is nog niet het eindpunt. In de voortgezette assimilatie bouwt het organisme er andere stoffen van, elk met hun eigen rol: bouwstof voor cellen en weefsels, brandstof voor de dissimilatie, en reservestof voor later.

Koolhydraten lopen van klein naar groot. Een monosacharide is een enkelvoudige suiker, een disacharide bestaat uit twee, en een polysacharide uit een lange keten. Zetmeel is de reservestof van planten, glycogeen die van dieren — allebei polysachariden, allebei snel weer om te zetten in glucose.

Kernbegrippen

voortgezette assimilatie
Het verder verwerken van de glucose uit de fotosynthese tot andere stoffen: zetmeel, vetten, eiwitten en nucleïnezuren.
bouwstof
Stof die het lichaam gebruikt om cellen en weefsels op te bouwen of te herstellen.
brandstof
Stof die bij dissimilatie wordt afgebroken om er energie uit te halen.
09

Wat er van gemaakt wordt

Uit de assimilatieproducten bouwt het organisme alles wat het nodig heeft. Cellulose wordt de plantencelwand — voor ons onverteerbaar, maar als voedingsvezel wel nuttig. Vet, opgebouwd uit glycerol en vetzuren, is de compactste reservestof en levert per gram ruim twee keer zoveel energie als koolhydraat.

Eiwitten komen uit aminozuren. Sommige daarvan kan het lichaam zelf maken, de essentiële aminozuren niet: die moeten uit voedsel komen. Fosfolipiden vormen de membranen, DNA de erfelijke informatie, en tussencelstof geeft weefsels hun samenhang.

Kernbegrippen

cellulose
Koolhydraat waarvan de plantencelwand is gemaakt. Wij kunnen het niet verteren, maar als voedingsvezel doet het wel zijn werk.
vet
Stof uit glycerol en vetzuren; levert per gram ruim twee keer zoveel energie als koolhydraat en is de compactste reservestof.
vetzuur
Lange koolstofketen met een zuurgroep; samen met glycerol de bouwsteen van vet.
10

Anaerobe dissimilatie

Zonder zuurstof kan de cel glucose maar gedeeltelijk afbreken. De glycolyse splitst het molecuul en levert daarbij een kleine hoeveelheid ATP.

Wat er overblijft wordt bij gisting omgezet in alcohol, bij gist en veel planten, of in melkzuur, in onze spiercellen bij zuurstoftekort. In beide eindproducten zit nog veel energie opgesloten: dat is precies waarom de opbrengst zo laag is. Melkzuur hoopt op en verzuurt de spier, wat de inspanning uiteindelijk afremt.

Kernbegrippen

anaeroob
Zonder zuurstof; levert veel minder energie en laat producten als melkzuur, alcohol of methaan achter.
glycolyse
Eerste stap van de dissimilatie, zonder zuurstof: glucose wordt gesplitst, met een kleine opbrengst aan ATP.
gisting
Anaerobe afbraak waarbij de brandstof niet volledig wordt gesplitst; er blijft alcohol of melkzuur over, met veel energie er nog in.
11

Aerobe dissimilatie

Mét zuurstof kan de afbraak wél volledig. Na de glycolyse gaat de koolstof de citroenzuurcyclus in en wordt hij helemaal afgesplitst als koolstofdioxide; de waterstof gaat mee met de transporteurs.

In de oxidatieve fosforylering geven die transporteurs hun elektronen af aan een reeks eiwitten. Elke stap laat een beetje energie vrij, en aan het eind vangt zuurstof — de oxidator — de elektronen op. Hier ontstaat verreweg de meeste ATP. Zonder zuurstof aan het eind loopt de hele rij vast, en daarom kan de aerobe route zonder zuurstof niet draaien.

Kernbegrippen

aeroob
Met zuurstof; de aerobe afbraak levert veel energie per molecuul brandstof.
verbranding
Volledige, aerobe afbraak van brandstof tot koolstofdioxide en water, met een veel hogere energieopbrengst dan gisting.
citroenzuurcyclus
Kringloop van reacties in het mitochondrion waarin de koolstof volledig wordt afgesplitst en waterstof aan transporteurs wordt meegegeven.
12

Reactievergelijkingen en elementen

Een reactievergelijking zet de beginstoffen links en de eindproducten rechts, met aan beide kanten evenveel atomen van elk element. De molecuulformule zegt alleen wát er in een molecuul zit, de structuurformule ook hoe het aan elkaar hangt — nodig om stoffen met dezelfde molecuulformule te onderscheiden.

De elementen die je moet kennen zijn er niet veel. Koolstof, waterstof, zuurstof en stikstof vormen de organische stof; fosfor zit in DNA, ATP en fosfolipiden; calcium, ijzer, kalium, natrium en chloor doen mee aan botten, zuurstoftransport en de prikkelgeleiding.

De verbindingen die telkens terugkomen zijn glucose, water, koolstofdioxide en zuurstofgas — en in de kringlopen ammoniak, nitraat, nitriet, stikstofgas, fosfaat en methaan.

Kernbegrippen

reactievergelijking
Weergave van een omzetting met de beginstoffen links en de eindproducten rechts, met aan beide kanten evenveel atomen van elk element.
molecuulformule
Notatie die alleen aangeeft welke en hoeveel atomen er in een molecuul zitten, zoals C6H12O6.
structuurformule
Notatie die ook laat zien hoe de atomen aan elkaar gebonden zijn; nodig om moleculen met dezelfde molecuulformule te onderscheiden.
13

Hoe een enzym werkt

De werking van een enzym berust op vorm. De actieve plaats past precies op het substraat, zoals een slot op een sleutel. Samen vormen ze kort een enzymsubstraatcomplex, waarin de omzetting plaatsvindt; daarna laat het enzym het product los en is het onveranderd klaar voor de volgende.

Daarom werkt een enzym maar op één stof, en daarom heeft een cel er duizenden verschillende. Of een reactie is verlopen kun je in de praktijk aantonen met een indicator, die door een kleurverandering laat zien of een bepaalde stof aanwezig is.

Kernbegrippen

enzymwerking
Het katalyseren van één bepaalde reactie doordat de vorm van het enzym precies op het substraat past — het sleutel-slotprincipe.
substraat
Het molecuul dat precies in de actieve plaats van een enzym past en daar wordt omgezet.
enzymsubstraatcomplex
De tijdelijke koppeling van enzym en substraat, waarin de omzetting plaatsvindt. Daarna laat het enzym onveranderd los.
14

Temperatuur en pH

Enzymwerking is geen rechte lijn maar een optimumkromme. Bij een lage temperatuur bewegen de moleculen te langzaam en komen enzym en substraat elkaar zelden tegen. Wordt het warmer, dan gaat de reactie sneller — tot het optimum.

Daarboven slaat het om. Door hitte, of door een verkeerde zuurgraad, verliest het eiwit zijn ruimtelijke vorm: denaturatie. Dan past het niet meer op zijn substraat, en dat is onherstelbaar. Elk enzym heeft dan ook zijn eigen optimum: pepsine werkt juist in het zure maagsap, de darmenzymen bij een bijna neutrale pH.

Kernbegrippen

pH
Maat voor de zuurgraad. In het bloed blijft die rond 7,4, want enzymen werken maar binnen een smalle marge.
denaturatie
Onherstelbaar verlies van de ruimtelijke vorm van een eiwit door hitte of een verkeerde zuurgraad; het enzym past dan niet meer op zijn substraat.
optimumkromme
Grafiek met een top: de reactiesnelheid stijgt tot het optimum en zakt daarna weer, doordat het enzym denatureert.
15

Micro-organismen aan het werk

De stofwisseling van micro-organismen is technisch bruikbaar. Bij fermentatie laat je gisten, bacteriën of schimmels op grote schaal een omzetting doen: brood, bier, yoghurt, kaas, en ook antibiotica en enzymen voor de industrie.

Met recombinant-DNA-technologie ga je een stap verder. Je brengt een gen van een ander organisme in — vaak met een plasmide als vervoermiddel — zodat de bacterie een eiwit gaat maken dat hij van zichzelf niet maakt. Zo wordt bijvoorbeeld menselijke insuline geproduceerd.

Kernbegrippen

fermentatie
Het op grote schaal gebruiken van micro-organismen om stoffen om te zetten, bijvoorbeeld bij brood, bier, yoghurt en medicijnen.
recombinant-DNA-technologie
Techniek waarbij DNA van verschillende herkomst wordt samengevoegd, zodat een organisme een eiwit maakt dat het van zichzelf niet maakt.
microorganismen
Organismen die te klein zijn om met het blote oog te zien, zoals bacteriën, gisten en schimmels.
16

Fotosynthese en chemosynthese

Beide processen leggen koolstof vast in organische stof, en beide maken hun organisme autotroof. Het verschil zit in de energiebron.

De fotosynthese gebruikt licht. De chemosynthese haalt de energie uit anorganische reacties, bijvoorbeeld uit de omzetting van zwavel- of stikstofverbindingen. Dat betekent dat chemosynthetiserende bacteriën in het volslagen donker kunnen leven — in de bodem, en bij bronnen op de diepzeebodem waar hele levensgemeenschappen op draaien.

Kernbegrippen

chemosynthese
Opbouw van organische stof met energie uit anorganische reacties in plaats van uit licht; zo leven bacteriën in het donker, bijvoorbeeld bij diepzeebronnen.
17

Waarom genregulatie nodig is

Elke cel van een organisme heeft hetzelfde DNA, maar een levercel is geen zenuwcel. Het verschil zit niet in welke genen er zijn, maar in welke er aanstaan.

Genregulatie is dat aan- en uitzetten. Zonder die regeling zou elke cel alles tegelijk aanmaken: een enorme verspilling, en bovendien onmogelijk om nog gespecialiseerde weefsels te vormen. Ook binnen één cel wisselt het voortdurend — een enzym dat nu nodig is, is dat straks niet meer.

Kernbegrippen

genregulatie
Het aan- en uitzetten van genen, zodat een cel alleen maakt wat op dat moment nodig is. Zonder die regeling zou elke cel alles tegelijk aanmaken.
18

Genregulatie bij prokaryoten

Bij bacteriën is het schakelmechanisme goed te overzien. Vóór een structuurgen — het gen voor het eiwit dat de cel wil maken — liggen een promotor, waar het afleesenzym aanhecht, en een operator, die als schakelaar dienstdoet.

Een apart regulatorgen codeert voor een repressor. Zit die op de operator, dan komt het afleesenzym er niet langs en blijft het gen uit. Komt de stof waar het om draait beschikbaar, dan bindt die aan de repressor, laat hij los, en gaat het gen aan. Zo maakt de bacterie het enzym precies wanneer er iets te doen is.

Kernbegrippen

structuurgen
Gen dat codeert voor een eiwit dat de cel daadwerkelijk gebruikt, zoals een enzym.
regulatorgen
Gen dat codeert voor een eiwit dat andere genen aan- of uitzet, zoals een repressor.
promotor
Stuk DNA vóór een gen waar het afleesenzym aanhecht; hier begint de transcriptie.
19

Genregulatie bij eukaryoten

Bij eukaryoten is het ingewikkelder, want er zijn veel meer genen en veel meer situaties.

Hier bepalen transcriptiefactoren of een gen wordt afgelezen: eiwitten die aan het DNA binden, meestal met meerdere tegelijk. Een activator bevordert de transcriptie juist, in plaats van hem te remmen. Doordat er per gen een eigen combinatie van factoren nodig is, kan één cel heel fijnmazig regelen wat er wanneer aanstaat.

Kernbegrippen

transcriptiefactor
Eiwit dat bij eukaryoten aan het DNA bindt en bepaalt of een gen wordt afgelezen. Er zijn er meestal meerdere tegelijk nodig.
activator
Eiwit dat de transcriptie van een gen juist bevordert, in plaats van hem te remmen.
20

Genexpressie is dynamisch

Of een gen bereikbaar is, hangt ook af van hoe het DNA is opgeborgen. Het is gewikkeld om eiwitkernen tot nucleosomen; hoe strakker opgerold, hoe minder toegankelijk.

Daarnaast kan er aan het DNA een kleine chemische groep worden gehangen — methylering — waardoor een gen wordt uitgeschakeld zonder dat de basenvolgorde verandert. Zulke veranderingen kunnen bovendien worden doorgegeven aan dochtercellen en zelfs aan nakomelingen: dat is het terrein van de epigenetica. Een derde route is RNAi, waarbij kleine RNA-moleculen het mRNA blokkeren of afbreken, zodat er alsnog geen eiwit komt.

Kernbegrippen

nucleosoom
Pakketje DNA gewikkeld om een kern van eiwitten. Hoe strakker het DNA is opgerold, hoe minder toegankelijk de genen zijn.
methylering
Het aanhangen van kleine chemische groepen aan het DNA, waardoor een gen wordt uitgeschakeld zonder dat de basenvolgorde verandert.
epigenetica
Erfelijke veranderingen in genexpressie zonder verandering in de basenvolgorde; ze zijn door omgeving en leefwijze te beïnvloeden.
21

Als de regulatie stukgaat

Mutagene factoren — uv-straling, röntgenstraling, stoffen uit rook — vergroten de kans op mutaties. Raakt daarbij een gen dat over celdeling gaat, dan kan de regulatie zelf ontsporen.

Twee soorten genen zijn daarbij van belang. Een proto-oncogen stimuleert normaal de celdeling; door een mutatie kan het blijvend aanstaan en wordt het een oncogen — het gaspedaal blijft ingedrukt. Een tumorsuppressorgen remt juist af of laat een beschadigde cel afsterven; valt het uit, dan is de rem weg. Meestal is er meer dan één zo'n mutatie nodig voordat een cel echt ongecontroleerd gaat delen.

Kernbegrippen

mutagene factor
Invloed die de kans op mutaties vergroot, zoals uv-straling, röntgenstraling of bepaalde stoffen uit rook.
proto-oncogen
Normaal gen dat celdeling stimuleert. Door een mutatie kan het blijvend aanstaan en wordt het een oncogen.
tumorsuppressorgen
Gen dat celdeling juist afremt of een beschadigde cel laat afsterven. Valt het uit, dan verdwijnt die rem.

Let hierop

Enzymen verschuiven het chemische evenwicht niet en worden niet verbruikt. Ze zorgen alleen dat heen- en terugreacties sneller hun evenwicht bereiken.

Controleer of je het begrijpt

Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.

  1. Waarom kan een verandering van één aminozuur de werking van een enzym beïnvloeden?
  2. Leg het verschil uit tussen competitieve en niet-competitieve remming.
  3. Waarom daalt de reactiesnelheid boven de optimumtemperatuur vaak sterk?

Verantwoording

De leerdoelen en begrippen zijn afgestemd op de syllabus biologie vwo van het College voor Toetsen en Examens. De uitleg, voorbeelden, kernredenering en zelfcheck zijn eigen werk van BiologieBoost.

Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.

Oefen verder met eiwitten

Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.

Naar de oefeningen