BiologieBoost
Upgrade · 7 dagen gratis🔥 0

Hoofdstuk 16 · Theorie biologie vwo

Afweer

Hoe je lichaam onderscheid maakt tussen eigen en vreemd, en wat het doet met alles wat er niet hoort.

Laboratoriummedewerker houdt een petrischaal met bacteriekolonies vast
Foto: Thirdman via Pexels. Gebruikt onder de Pexels-licentie; de foto dient als context en niet als biologisch schema.

Dit kun je uitleggen

  • Je kunt in een context beschrijven wat de bouw, werking en functie zijn van organen en cellen betrokken bij de afweer van de mens.
  • Je kunt in een context beschrijven wat de werking van de aangeboren (niet-specifieke) afweer is.
  • Je kunt in een context beschrijven wat de werking van de verworven (specifieke) afweer is.
  • Je kunt in een context toelichten wat de reactie op lichaamseigen en lichaamsvreemde stoffen en cellen is.
  • Je kunt in een context benoemen wat de verschillen zijn tussen verschillende typen ziekteverwekkers.
  • Je kunt in een context herkennen wat de afweermechanismen van planten zijn.

Zo hangt de stof samen

Orden afweer in barrières, aangeboren reacties en specifieke afweer. De specifieke reactie kost bij de eerste besmetting tijd, maar levert geheugencellen op. Daardoor verloopt een volgende reactie sneller en krachtiger.

01

Organen en cellen van de afweer

De eerste linie is bouwkundig: de huid als gesloten laag verhoornde cellen, en slijmvliezen die binnendringers in slijm vangen en met trilhaartjes of enzymen opruimen.

Daarachter zit een netwerk. In het beenmerg worden alle bloedcellen gevormd, en rijpen de B-cellen. Bloed en lymfe vervoeren de afweercellen; in de lymfeknopen komen ze hun antigeen tegen, en daarom zwellen die op bij een infectie.

De cellen hebben elk hun taak. Macrofagen eten binnendringers op en tonen stukjes ervan als antigeen. T-helpercellen zetten de rest van de afweer in gang. Cytotoxische T-cellen doden aangetaste lichaamscellen. B-cellen groeien uit tot plasmacellen die antistoffen maken en tot geheugencellen. Mestcellen geven histamine af.

Kernbegrippen

huid
Eerste barrière van de afweer: een gesloten laag verhoornde cellen, met talg en een lage zuurgraad die ziekteverwekkers tegenhouden.
slijmvliezen
Vochtige bekleding van luchtwegen, darm en andere holtes; het slijm vangt binnendringers, waarna trilhaartjes of enzymen ze opruimen.
bloed
Vervoert afweercellen en antistoffen door het hele lichaam en brengt ze snel op de plaats van een infectie.
02

Aangeboren en verworven afweer

De aangeboren afweer is vanaf de geboorte aanwezig en reageert op elke binnendringer hetzelfde: barrières, de ontstekingsreactie en eetcellen. Snel, maar zonder geheugen.

De verworven afweer ontstaat pas na contact met een bepaald antigeen, werkt alleen tegen die ziekteverwekker en laat geheugencellen achter. Daardoor verloopt een tweede besmetting sneller en heftiger — dat is immuniteit.

Die immuniteit is op twee manieren in te delen. Natuurlijk of kunstmatig: ontstaan zonder ingrijpen, of opgewekt met een inenting of een injectie met antistoffen. En actief of passief: het lichaam maakt de antistoffen zelf, wat langzaam op gang komt maar lang aanhoudt, of het krijgt ze kant-en-klaar, wat meteen werkt maar kort en zonder geheugen.

Kernbegrippen

aangeboren afweer
Altijd paraat en niet op één ziekteverwekker gericht: barrières, de ontstekingsreactie en eetcellen die alles aanpakken wat vreemd is.
verworven afweer
Afweer die pas na contact met een bepaald antigeen ontstaat, alleen tegen die ziekteverwekker werkt en geheugen achterlaat.
natuurlijke immuniteit
Immuniteit die zonder ingrijpen ontstaat: door een doorgemaakte infectie, of via antistoffen van de moeder.
03

De specifieke afweer

De specifieke afweer draait om het onderscheid tussen lichaamseigen en lichaamsvreemd. Elke cel toont op MHC-I wat er binnenin gemaakt wordt; antigeenpresenterende cellen tonen daarnaast op MHC-II wat ze hebben opgenomen. T-helpercellen controleren dat laatste en zetten de reactie in gang.

Daarna splitst de afweer zich. In de humorale respons maken plasmacellen antistoffen die precies op één antigeen passen; die klonteren de binnendringer of maken hem onschadelijk, zodat eetcellen hem opruimen. Dat werkt vooral tegen ziekteverwekkers buiten de cellen. In de cellulaire respons doden cytotoxische T-cellen de aangetaste cel zelf — de aanpak bij virussen die al binnen zijn, en bij tumorcellen.

Vaccinatie maakt hier gebruik van, afstoting na transplantatie en allergie zijn de keerzijde ervan.

Kernbegrippen

lichaamsvreemd
Niet herkend als eigen, waardoor de afweer in actie komt; ook een transplantaat of stuifmeel kan dat zijn.
humorale respons
Deel van de specifieke afweer waarbij plasmacellen antistoffen aan bloed en lymfe afgeven; vooral gericht op ziekteverwekkers buiten de cellen.
cellulaire respons
Deel van de specifieke afweer waarbij cytotoxische T-cellen aangetaste cellen zelf doden; vooral gericht op virussen in cellen en op tumorcellen.
04

Bloedgroepen en transplantatie

Of iets wordt aangevallen hangt af van de antigenen op het celmembraan. Bij een bloedtransfusie zijn dat de suikerantigenen van het AB0-systeem: in het plasma zitten juist antistoffen tegen de antigenen die iemand zelf mist, dus bij niet-passend bloed klonteren de rode bloedcellen.

De resusfactor is een apart antigeen. Een resusnegatieve moeder kan tegen een resuspositief kind antistoffen vormen, met problemen bij een volgende zwangerschap.

Bij transplantatie gaat het om de MHC-eiwitten van donor en ontvanger: hoe meer die verschillen, hoe sterker de afstoting.

Kernbegrippen

bloedtransfusie
Toedienen van donorbloed; de bloedgroepen moeten passen, anders klonteren de rode bloedcellen door antistoffen van de ontvanger.
AB0-systeem
Bloedgroepindeling naar welke suikerantigenen een rode bloedcel draagt; in het plasma zitten juist antistoffen tegen de antigenen die iemand mist.
resusfactor
Antigeen dat wel of niet op de rode bloedcellen zit; een resusnegatieve moeder kan antistoffen vormen tegen een resuspositief kind.
05

Typen ziekteverwekkers

Ziekteverwekkers verschillen wezenlijk, en dat bepaalt hoe je ze bestrijdt. Een virus is erfelijk materiaal in een eiwitmantel, zonder eigen stofwisseling; het vermenigvuldigt zich alleen in een gastheercel. Een bacterie is een cel zonder celkern met een eigen stofwisseling en groeit ook buiten cellen. Schimmels hebben wél een celkern en groeien als draden of als gist. Een parasiet leeft in of op een gastheer en gaat daar ten koste van, zonder die meteen te doden.

Antibiotica grijpen aan op wat bacteriën eigen is en werken daarom niet tegen virussen. Worden ze te vaak gebruikt, dan overleven toevallig ongevoelige bacteriën en plant die ongevoeligheid zich voort: resistentie.

Kernbegrippen

virus
Deeltje van erfelijk materiaal in een eiwitmantel, zonder eigen stofwisseling; vermenigvuldigt zich alleen in een gastheercel.
bacterie
Eencellig organisme zonder celkern met een eigen stofwisseling; groeit ook buiten cellen en is met antibiotica te bestrijden.
schimmel
Organisme met celkern dat als draden of als gist groeit; veroorzaakt vooral aantasting van huid, slijmvliezen en gewassen.
06

Afweer bij planten

Een plant heeft geen afweercellen die rondtrekken, maar verdedigt zich wel. Mechanisch met bouw: een waslaag, dikke celwanden, doorns of brandharen houden belagers tegen.

Chemisch met stoffen: gif en bitterstoffen maken de plant oneetbaar, en sommige planten geven bij vraat geurstoffen af die juist de natuurlijke vijanden van de belager aantrekken. Net als bij bacteriën heet ongevoeligheid voor een aantasting resistentie.

Kernbegrippen

mechanische afweer
Bouwkundige verdediging van een plant, zoals een waslaag, dikke celwanden, doorns of brandharen.
chemische afweer
Verdediging van een plant met stoffen: gif, bitterstoffen, of geurstoffen die juist de vijanden van de belager lokken.

Let hierop

Antibiotica werken tegen bacteriën, niet tegen virussen. Vaccinatie doodt een ziekteverwekker evenmin direct; zij bereidt het specifieke afweersysteem voor.

Controleer of je het begrijpt

Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.

  1. Waarom word je na een vaccinatie meestal niet ernstig ziek van de echte ziekteverwekker?
  2. Vergelijk de functie van B-cellen en cytotoxische T-cellen.
  3. Leg uit waarom koorts zowel nuttig als belastend kan zijn.

Verantwoording

De leerdoelen en begrippen zijn afgestemd op de syllabus biologie vwo van het College voor Toetsen en Examens. De uitleg, voorbeelden, kernredenering en zelfcheck zijn eigen werk van BiologieBoost.

Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.

Oefen verder met afweer

Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.

Naar de oefeningen