Na dit hoofdstuk
Dit kun je uitleggen
- Je kunt in een context beschrijven wat gedrag is en welke vragen een gedragsbioloog erover stelt.
- Je kunt in een context onderscheiden welke vormen van aangeboren gedrag er zijn.
- Je kunt in een context beschrijven op welke manieren gedrag door leren verandert.
- Je kunt in een context uitleggen hoe dieren met signalen met elkaar communiceren.
- Je kunt in een context beschrijven welke paarsystemen er zijn en hoe partnerkeuze het gedrag stuurt.
- Je kunt in een context verklaren hoe voedselzoekgedrag en sociaal gedrag bijdragen aan het doorgeven van genen.
Kernredenering
Zo hangt de stof samen
Begin bij gedrag altijd met de vraag welk type verklaring wordt gevraagd. Een directe verklaring beschrijft prikkels, zenuwen, hormonen en leren; een uiteindelijke verklaring gaat over overlevings- of voortplantingsvoordeel. In een goed antwoord lopen die niveaus niet door elkaar.
Gedrag en de vragen erover
Gedrag is alles wat een dier waarneembaar doet: bewegen, geluid maken, poetsen, stilzitten. Juist doordat het waarneembaar is, valt het te onderzoeken — je kunt tellen hoe vaak iets gebeurt en hoe lang het duurt.
De gedragsbiologie stelt over elk stuk gedrag twee soorten vragen, en die worden makkelijk door elkaar gehaald. Een directe oorzaak gaat over het hier en nu: welke prikkel kwam binnen, welk hormoon speelde mee, welke zenuwbaan werd doorlopen. Een uiteindelijke oorzaak gaat over de evolutie: welk voordeel levert dit gedrag op, waardoor dieren die het vertoonden meer nakomelingen kregen.
Een vogel zingt in het voorjaar doordat de daglengte toeneemt en zijn hormoonspiegel stijgt, én omdat zingen hem een territorium oplevert. Allebei waar, twee verschillende vragen. De ethologie bekijkt gedrag daarbij het liefst in de natuurlijke omgeving.
Kernbegrippen
- gedrag
- Alles wat een dier waarneembaar doet als reactie op zijn omgeving of op zijn eigen toestand; het is te tellen, te timen en te vergelijken.
- gedragsbiologie
- Tak van de biologie die onderzoekt hoe gedrag ontstaat, waar het toe dient en hoe het zich in de loop van een leven en van een soort ontwikkelt.
- ethologie
- Studie van gedrag zoals dieren dat in hun eigen leefomgeving vertonen, dus met zo min mogelijk ingrijpen van de onderzoeker.
Aangeboren gedrag
Aangeboren gedrag hoeft niet geleerd te worden. Het ligt erfelijk vast, verloopt bij alle soortgenoten vrijwel hetzelfde en is meteen de eerste keer al goed.
De eenvoudigste vorm is de reflex: één prikkel, één snelle vaste reactie, buiten de wil om. Een vast handelingspatroon gaat verder — na één prikkel wordt een hele reeks bewegingen afgemaakt, ook als de aanleiding halverwege wegvalt. Een gans die een uit het nest gerold ei terugrolt, maakt de beweging af met een ei dat je onderweg weghaalt.
Bij oriëntatie zijn er twee vormen. Bij kinesis verandert alleen het tempo van bewegen: een pissebed loopt in droge lucht sneller en blijft daardoor vaker in het vochtige hoekje hangen, zonder daar ooit op af te gaan. Bij taxis kiest het dier wel richting, recht naar de prikkel toe of ervandaan.
Kernbegrippen
- aangeboren gedrag
- Gedrag dat een dier zonder oefening vertoont; het ligt erfelijk vast en verloopt bij alle soortgenoten vrijwel hetzelfde.
- reflex
- Snelle, vaste reactie van één lichaamsdeel op één prikkel, zonder tussenkomst van de wil.
- vast handelingspatroon
- Reeks bewegingen die na één prikkel volledig wordt afgemaakt, ook als de aanleiding halverwege wegvalt.
Leren
Aangeleerd gedrag verandert door ervaring en verschilt daarom per individu. De eenvoudigste vorm is gewenning: een prikkel die zich herhaalt zonder gevolgen levert steeds minder reactie op. Dat is geen vermoeidheid maar winst, want aandacht is schaars.
Inprenting kan alleen in een korte gevoelige periode. Jonge ganzen volgen wat er in de eerste uren na het uitkomen beweegt, en die keuze ligt daarna vast.
Bij klassieke conditionering leert een dier twee prikkels koppelen: een geluid dat steeds aan voedsel voorafgaat, lokt op den duur zelf speekselvloed uit. Bij operante conditionering leert het van de gevolgen van zijn eigen gedrag — wat beloning oplevert komt vaker voor, wat straf oplevert minder.
Cognitief leren gaat het verst: een dier lost een probleem in één keer op door te combineren wat het al weet, zonder eerst te proberen.
Kernbegrippen
- aangeleerd gedrag
- Gedrag dat door ervaring blijvend verandert, en dus per individu verschilt naar wat het heeft meegemaakt.
- gewenning
- Afnemende reactie op een prikkel die zich herhaalt zonder gevolgen; dat spaart energie en aandacht voor wat er wel toe doet.
- inprenting
- Vorm van leren die alleen in een korte gevoelige periode kan plaatsvinden en daarna nauwelijks nog te wijzigen is.
Communicatie
Dieren beïnvloeden elkaars gedrag met signalen: geluiden, geuren, kleuren en houdingen. Een signaal werkt alleen als de ontvanger hem herkent, en daarom liggen ze binnen een soort behoorlijk vast.
Imponeergedrag laat een dier groter of dreigender lijken dan het is. De winst zit erin dat de tegenstander vertrekt zonder gevecht, want vechten levert verwondingen op. Baltsgedrag laat aan een mogelijke partner zien dat de zender de juiste soort is, in goede conditie verkeert en wil paren. Afleidingsgedrag richt zich juist op een rover: een vogel doet alsof zijn vleugel gebroken is en lokt de aandacht bij het nest vandaan.
Ook kleur is een signaal. Waarschuwingskleuring kondigt gif aan. Bij batesiaanse mimicry doet een ongevaarlijke soort dat na — bedrog dat alleen standhoudt zolang de nabootsers zeldzaam zijn. Bij mülleriaanse mimicry lijken echt giftige soorten op elkaar, zodat een rover maar één les hoeft te leren.
Kernbegrippen
- signaal
- Gedrag, geluid, geur of kleur waarmee het ene dier informatie aan het andere doorgeeft en zijn gedrag beïnvloedt.
- imponeergedrag
- Vertoon waarmee een dier zich groter of gevaarlijker voordoet, zodat een tegenstander afdruipt zonder dat er gevochten hoeft te worden.
- baltsgedrag
- Vertoon waarmee dieren een partner lokken en overtuigen; het toont soortgenootschap, conditie en bereidheid tot paren tegelijk.
Paarsystemen en partnerkeuze
Welk paarsysteem een soort heeft, hangt vooral af van hoeveel zorg de jongen nodig hebben. Monogamie komt voor waar twee ouders nodig zijn om het nest rond te krijgen. Bij polygynie paart één mannetje met meerdere vrouwtjes, meestal doordat hij een territorium of een voedselbron beheerst. Polyandrie is zeldzamer: één vrouwtje met meerdere mannetjes, die dan vaak zelf voor de eieren zorgen.
Daar bovenop werkt seksuele selectie, in twee vormen. Intraseksueel bevechten soortgenoten van hetzelfde geslacht elkaar om toegang tot partners; dat levert wapens en lichaamsgrootte op. Interseksueel kiest het ene geslacht, en waarop gekozen wordt gaat vooruit. Een pauwenstaart maakt vluchten lastiger, maar wie hem draagt en tóch in leven is, laat daarmee zien wat hij waard is.
Kernbegrippen
- paarsysteem
- Patroon in het aantal partners per voortplantingsperiode; het hangt samen met hoeveel zorg de jongen nodig hebben en wie die levert.
- monogamie
- Paarsysteem met één partner per voortplantingsperiode; komt vooral voor waar twee ouders nodig zijn om jongen groot te brengen.
- polygynie
- Paarsysteem waarin één mannetje met meerdere vrouwtjes paart, meestal waar hij een territorium of voedselbron beheerst.
Foerageren en samenwerken
Foerageren is meer dan eten zoeken, het is kiezen. Elke prooi kost tijd, energie en risico en levert energie op. Dieren gedragen zich alsof ze die balans optimaliseren: ze laten prooien liggen die te veel moeite kosten, en verlaten een plek zodra de opbrengst onder het gemiddelde zakt.
Lastiger te verklaren is altruïsme, gedrag dat een ander helpt en de helper zelf iets kost. Een grondeekhoorn die alarm slaat, verraadt daarmee zijn eigen positie aan de rover.
Verwantenselectie biedt de uitweg. Verwanten dragen voor een deel dezelfde allelen, dus wie zijn zus helpt overleven geeft indirect zijn eigen erfelijk materiaal door. Hoe nauwer de verwantschap en hoe groter de winst voor de ander, hoe eerder zulk gedrag zich in de evolutie kon handhaven.
Kernbegrippen
- foerageren
- Zoeken, kiezen en bemachtigen van voedsel. Wat het oplevert wordt afgewogen tegen de tijd, de energie en het risico dat het kost.
- altruïsme
- Gedrag dat een ander voordeel oplevert ten koste van jezelf; op het eerste gezicht in strijd met selectie op eigen voortplanting.
- verwantenselectie
- Verklaring voor altruïsme: door verwanten te helpen geeft een dier indirect zijn eigen allelen door, want die dragen dezelfde.
Veelgemaakte denkfout
Let hierop
Schrijf niet dat gedrag óf aangeboren óf aangeleerd moet zijn. Bij veel gedrag bepalen erfelijke aanleg en ervaring samen wat je uiteindelijk waarneemt.
Actief ophalen
Controleer of je het begrijpt
Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.
- Leg het verschil uit tussen een directe en een uiteindelijke oorzaak van vogelzang.
- Bedenk een waarneming waarmee je kinesis van taxis kunt onderscheiden.
- Waarom kan batesiaanse mimicry minder goed werken als de nabootser heel algemeen wordt?
Verantwoording
De begrippenindeling is gebaseerd op OpenStax Biology (eerste druk, CC BY 4.0). De selectie, Nederlandse uitleg, voorbeelden, kernredenering en zelfcheck zijn eigen werk van BiologieBoost.
Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.
Van begrijpen naar toepassen
Oefen verder met gedrag
Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.
