Hoofdstuk 6 · VWO · Biologie voor jou · leerjaar 4

Mens en milieu

Kringlopen, ecosysteemverandering en duurzaamheid. Volg koolstof en stikstof door reservoirs en processen. Verbind menselijke ingrepen met concrete veranderingen in stromen, populaties en leefomstandigheden.

Dit kun je uitleggen

  • Je kunt in een context energiestromen in een ecosysteem (modelmatig) beschrijven.
  • Je kunt in een context toelichten welke processen en organismen van invloed zijn op energiestromen in een ecosysteem.
  • Je kunt in een context uitleggen wat oorzaken en gevolgen zijn van verstoring van energiestromen in een ecosysteem.
  • Je kunt in een context beredeneren hoe de mens ecosystemen positief of negatief kan beïnvloeden met keuzes op het gebied van energiegebruik.
  • Je kunt in een context beschrijven wat onder duurzame ontwikkeling wordt verstaan.
  • Je kunt in een context uitleggen hoe bij energieproductie rekening gehouden kan worden met duurzame ontwikkeling.
  • Je kunt in een context uitleggen hoe bij voedselproductie rekening gehouden kan worden met duurzame ontwikkeling.
  • Je kunt in een context uitleggen dat in een voedselketen accumulatie van schadelijke stoffen kan optreden en wat de gevolgen daarvan zijn.

Zo hangt de stof samen

Volg koolstof en stikstof door reservoirs en processen. Verbind menselijke ingrepen met concrete veranderingen in stromen, populaties en leefomstandigheden.

01

Energiestroom door een ecosysteem

Energie gaat door een ecosysteem heen, niet rond. Producenten leggen zonne-energie vast in organische stof. Consumenten halen die energie eruit door te eten, reducenten door dode resten af te breken. Bij elke stap gaat een deel als warmte verloren.

De plaats van een organisme in die reeks heet het trofisch niveau, geteld vanaf de producent. Omdat er per stap maar een klein deel van de energie doorgaat, worden de niveaus snel smaller: dat is waarom een voedselketen zelden meer dan vier of vijf schakels telt.

Kernbegrippen

energiestroom
De weg die energie door een ecosysteem aflegt: binnen via de producenten, verder langs de trofische niveaus, en er als warmte weer uit. Anders dan stoffen komt energie niet terug.
producent
Organisme dat zelf organische stof maakt uit anorganische stof en zo de energie het ecosysteem in brengt.
consument
Organisme dat zijn organische stof uit andere organismen haalt; eerste orde eet planten, tweede orde eet die eters.
02

Wie legt de energie vast

Organismen verschillen in hoe ze aan hun organische stof komen. Foto-autotrofen maken die zelf met licht als energiebron; chemo-autotrofen doen hetzelfde, maar halen hun energie uit anorganische reacties. Heterotrofen kunnen het niet zelf en moeten het uit ander organisch materiaal halen.

De opbrengst druk je uit in productie. De bruto primaire productie is alles wat de producenten vastleggen; wat overblijft nadat zij hun eigen dissimilatie hebben betaald, is de netto primaire productie — en dat is wat er voor de rest van het ecosysteem beschikbaar komt. Productiviteit zet dat af tegen oppervlakte en tijd, zodat je gebieden kunt vergelijken.

Kernbegrippen

foto-autotroof
Maakt zelf organische stof met licht als energiebron, zoals planten, algen en blauwalgen.
chemo-autotroof
Maakt zelf organische stof met energie uit anorganische reacties in plaats van uit licht; bijvoorbeeld nitrificerende bacteriën.
heterotroof
Kan zelf geen organische stof maken en moet die uit ander organisch materiaal halen.
03

Verstoring van de energiestroom

Grijpt de mens in op een trofisch niveau, dan werkt dat door de hele keten. Overbevissing haalt schakels weg en laat de aantallen daaronder en daarboven verschuiven. Ontbossing haalt de vastlegging zelf weg: minder producenten betekent minder energie die het systeem in komt, en tegelijk minder koolstof die uit de lucht wordt gehaald.

Klimaatverandering werkt subtieler. Soorten verschuiven in ruimte en tijd, maar niet allemaal even snel, waardoor eter en gegetene uit de pas kunnen raken.

Kernbegrippen

effect van klimaatverandering
Verschuiving van temperatuur en neerslag verandert waar soorten kunnen leven en wanneer ze bloeien of trekken; wat samen hoorde, raakt uit de pas.
overbevissing
Meer vis wegvangen dan er bij komt, zodat de populatie krimpt en de voedselrelaties in het ecosysteem verschuiven.
ontbossing
Grootschalig verdwijnen van bos, waardoor vastlegging van koolstof en de leefruimte voor veel soorten wegvalt.
04

Energiekeuzes van de mens

Fossiele brandstof is organisch materiaal dat miljoenen jaren geleden is vastgelegd. Verbranden brengt die koolstof in enkele eeuwen terug in de lucht — een kringloop die daardoor niet meer sluit.

Biobrandstof gebruikt biomassa die kort geleden is gegroeid, zodat de vrijkomende koolstof net uit de lucht kwam. Daar staat tegenover dat de teelt grond, water en energie kost, en kan botsen met voedselproductie. De energietransitie is de verschuiving naar bronnen die zichzelf aanvullen; elke keuze daarin heeft gevolgen voor ecosystemen, positief of negatief.

Kernbegrippen

fossiele brandstof
Brandstof uit organisch materiaal dat miljoenen jaren geleden is vastgelegd; verbranden brengt die koolstof in korte tijd terug in de lucht.
biobrandstof
Brandstof uit recent gegroeide biomassa; de koolstof die vrijkomt is kort daarvoor uit de lucht gehaald, maar de teelt kost wel grond en energie.
biomassa
De totale massa aan organisch materiaal van de organismen in een gebied of op een trofisch niveau.
05

Duurzame ontwikkeling

Duurzame ontwikkeling voorziet in wat we nu nodig hebben zonder de mogelijkheden van latere generaties aan te tasten. Biologisch gezien komt dat neer op één vraag: sluiten de kringlopen?

In een gesloten kringloop komt alles wat eruit gaat er ook weer in; er gaat geen grondstof verloren en er blijft geen afval over. In een afgebakend systeem kunnen stoffen van buiten worden toegevoegd of naar buiten verdwijnen. Of dat duurzaam is, hangt af van onder meer voorraad, aanvulling, verlies en effecten op de omgeving. Materiaal dat biologisch afbreekbaar is, kan door reducenten terug de kringloop in; wat dat niet is, kan langdurig aanwezig blijven. Duurzaamheid beoordeel je met meerdere gegevens, zoals materiaalverbruik, vervuiling, klimaat en biodiversiteit.

Kernbegrippen

duurzame ontwikkeling
Ontwikkeling die voorziet in wat we nu nodig hebben, zonder de mogelijkheden van latere generaties aan te tasten.
biologisch afbreekbaar
Door reducenten af te breken tot anorganische stof, zodat het materiaal in de kringloop terugkomt en zich niet ophoopt.
open kringloop
Kringloop waaruit stoffen weglekken of waaraan van buiten wordt toegevoegd; op den duur is dat niet vol te houden.
06

Duurzame energieproductie

Bij energieproductie bepaalt de keuze van de bron hoeveel uitstoot, ruimte en grondstof ermee gemoeid is. Hernieuwbare bronnen vullen zichzelf op menselijke tijdschaal aan — zon, wind, water, biomassa — terwijl fossiele bronnen dat niet doen.

De goedkoopste winst zit vaak niet in een andere bron maar in energiebesparing: minder energie gebruiken voor hetzelfde resultaat. Elke bespaarde eenheid hoeft niet opgewekt te worden en kost dus ook geen ruimte of grondstof.

Kernbegrippen

energieproductie
Het omzetten van een energiebron in bruikbare energie; de keuze van de bron bepaalt de uitstoot en het ruimtebeslag.
hernieuwbare energiebron
Bron die zichzelf op menselijke tijdschaal aanvult, zoals zon, wind, water en biomassa.
energiebesparing
Minder energie gebruiken voor hetzelfde resultaat; dat scheelt uitstoot zonder dat er een nieuwe bron voor nodig is.
07

Duurzame voedselproductie

Bij voedselproductie telt de plaats in de voedselketen. Hoe verder je van de producent af oogst, hoe meer energie er onderweg als warmte verloren is gegaan — plantaardig voedsel levert per hectare dus veel meer op dan dierlijk.

Bestrijdingsmiddelen verhogen de opbrengst, maar werken zelden alleen op de doelsoort en kunnen zich in de keten ophopen. Biologische landbouw beperkt kunstmest en veel synthetische bestrijdingsmiddelen en legt nadruk op bodemleven en kringlopen; opbrengst en benodigd grondgebruik hangen van gewas, omstandigheden en bedrijfsvoering af. Vergelijk een gegeven situatie op basis van de gegevens, niet alleen op het etiket “biologisch”.

Kernbegrippen

voedselproductie
Het voortbrengen van voedsel; hoe verder in de voedselketen je oogst, hoe meer energie er onderweg als warmte verloren is gegaan.
bestrijdingsmiddel
Middel tegen onkruid, insecten of schimmels; het werkt zelden alleen op de doelsoort en kan zich in de keten ophopen.
biologische landbouw
Landbouw zonder kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen, met meer aandacht voor bodemleven en gesloten kringlopen. De opbrengst per hectare ligt meestal lager.
08

Accumulatie in de voedselketen

Accumulatie is ophoping: een stof komt sneller binnen dan hij wordt afgebroken of uitgescheiden. Vooral persistente stoffen doen dat, want die blijven lang in het milieu en krijgen zo de tijd.

Het vervelende zit in de voedselketen. Een roofdier eet veel prooien en neemt van elk de opgehoopte hoeveelheid over, zodat de concentratie per trofisch niveau verder oploopt. Bovenaan de keten kan die daardoor duizenden malen hoger liggen dan in het water of de bodem. Microplastics kunnen in organismen en voedselwebben terechtkomen. Toenemende concentraties per trofisch niveau zijn daarvoor geen algemene regel; dat hangt van de deeltjes en het organisme af. Bij bestrijdingsmiddelen komt er nog iets bij: de doelsoort wordt resistent, terwijl de stof zich elders wél ophoopt.

Kernbegrippen

accumulatie
Ophoping van een stof in een organisme doordat hij sneller binnenkomt dan hij wordt afgebroken of uitgescheiden; hoger in de voedselketen loopt de concentratie verder op.
persistent
Slecht afbreekbaar, waardoor de stof lang in het milieu blijft en de tijd krijgt zich op te hopen.
resistent
Ongevoelig voor een middel; ontstaat doordat toevallig ongevoelige individuen overleven en zich voortplanten.
09

Kringlopen van elementen

Anders dan energie gaan stoffen wél rond. Een element doorloopt een kringloop en komt uiteindelijk weer terug bij het begin.

De drie groepen hebben elk hun rol. Producenten bouwen anorganische stof in tot organische stof, met fotosynthese als motor. Consumenten geven die stof door en breken een deel af bij hun dissimilatie. Reducenten sluiten de kring: zij breken dode resten en uitwerpselen af tot anorganische stof, waarmee de bouwstoffen weer beschikbaar komen. Zonder reducenten loopt elke kringloop binnen de kortste keren vast.

De koolstofkringloop en de stikstofkringloop zijn de twee die het examen het vaakst vraagt.

Kernbegrippen

kringloop
Weg die een element door een ecosysteem aflegt en waarbij het uiteindelijk weer bij het begin uitkomt — anders dan energie, die niet rondgaat.
fotosynthese
Vastleggen van koolstofdioxide en water tot glucose met licht als energiebron, waarbij zuurstof vrijkomt.
dissimilatie
Afbraak van organische stof waarbij energie vrijkomt voor de cel; aeroob levert het koolstofdioxide en water op.
10

Processen in de stikstofkringloop

Stikstofgas is verreweg de grootste voorraad stikstof, maar zo stabiel dat vrijwel geen organisme hem rechtstreeks kan gebruiken. De kringloop draait daarom om een reeks omzettingen, elk door hun eigen bacteriën.

Stikstofbinding maakt van stikstofgas een bruikbare vorm. Ammonificatie levert uit dode resten en uitwerpselen ammoniak en ammonium. Nitrificatie zet ammonium via nitriet om in nitraat; planten kunnen, afhankelijk van de soort en omstandigheden, nitraat en ammonium opnemen — dat gebeurt aeroob. Denitrificatie doet het omgekeerde en brengt nitraat terug naar stikstofgas; dat gebeurt juist anaeroob, in natte, zuurstofarme bodems.

Methaan hoort bij de koolstofkringloop, niet bij de omzetting van stikstof. Het het ontstaat bij afbraak zonder zuurstof en is een sterk broeikasgas.

Kernbegrippen

denitrificatie
Bacteriën zetten nitraat om in stikstofgas; daarmee verlaat stikstof de bodem en verdwijnt hij uit bereik van planten.
nitrificatie
Bacteriën zetten ammonium via nitriet om in nitraat, de vorm waarin planten stikstof het best opnemen.
ammonificatie
Reducenten breken stikstofhoudende resten en uitwerpselen af tot ammoniak en ammonium.
11

Verstoring van kringlopen

Komt er meer van een stof in het systeem dan de kringloop aankan, dan loopt het ergens over. Nitraat spoelt gemakkelijk uit naar grond- en oppervlaktewater, waar het niet meer bij de wortels komt maar wel de waterkwaliteit bepaalt.

Daar veroorzaakt het eutrofiëring: algen groeien hard, sterven af, en hun afbraak haalt het zuurstof uit het water — met vissterfte als gevolg. In de atmosfeer speelt hetzelfde met koolstof: broeikasgassen houden warmtestraling vast, wat op zichzelf normaal is en de aarde leefbaar maakt, maar bij een te hoge concentratie het klimaat verschuift.

Kernbegrippen

uitspoeling
Meespoelen van opgeloste voedingsstoffen met regenwater naar diepere lagen of naar het oppervlaktewater, waar ze niet meer bij de wortels komen.
eutrofiering
Overmaat aan voedingsstoffen in water; algen groeien hard, sterven af, en de afbraak daarvan haalt het zuurstof uit het water.
broeikaseffect
Gassen in de atmosfeer laten zonlicht door maar houden warmtestraling van de aarde vast; zonder dit effect zou de aarde te koud zijn, met te veel wordt hij te warm.
12

Kringlopen sluiten

Wat de mens doet, bepaalt of een kringloop open of gesloten blijft. Hergebruik houdt een product in omloop; recyclen brengt het materiaal terug tot grondstof en maakt er iets nieuws van. Allebei besparen ze grondstof, maar recyclen kost zelf ook energie.

De uitkomst laat zich aflezen aan de biodiversiteit. Blijven kringlopen open, dan hoopt zich aan de ene kant afval op en raakt aan de andere kant grondstof op, en dat gaat ten koste van de verscheidenheid aan soorten en ecosystemen.

Kernbegrippen

hergebruik
Een product of materiaal opnieuw inzetten in plaats van weggooien, zodat er minder nieuwe grondstof en energie nodig is.
recyclen
Materiaal terugbrengen tot grondstof en daar iets nieuws van maken; dat sluit de kringloop verder dan weggooien, maar kost wel energie.
gevolgen voor de biodiversiteit
Ingrepen in kringlopen en leefgebieden werken door in het aantal soorten en de variatie daarbinnen; verlies daarvan maakt een ecosysteem minder bestand tegen verstoring.
13

Successie

Een kale plek blijft niet kaal. De soortensamenstelling verandert in de tijd, en elke fase verandert de omstandigheden voor de volgende — dat is successie.

Pioniersoorten komen als eerste: ze verdragen zware omstandigheden en maken de bodem geschikt voor soorten die minder kunnen hebben. Het klassieke successiemodel beschrijft een relatief stabiele eindtoestand als climaxecosysteem. In werkelijkheid kunnen verstoringen, bodem, water en klimaat verschillende ontwikkelingsroutes en blijvend open vegetatie veroorzaken; er is niet voor ieder gebied één vaste eindtoestand.

Kernbegrippen

successie
Geleidelijke opvolging van levensgemeenschappen op dezelfde plek, waarbij elke fase de omstandigheden verandert voor de volgende.
pioniersoort
Soort die als eerste een kale plek koloniseert; verdraagt zware omstandigheden en maakt de plek geschikt voor soorten die daarna komen.
climaxecosysteem
Relatief stabiele eindtoestand in het klassieke successiemodel. Werkelijke ecosystemen kunnen meerdere ontwikkelingsroutes en verstoringen kennen.
14

Overgangen en groei

De motor achter de overgangen is concurrentie: soorten die het in de nieuwe omstandigheden beter doen, verdringen de vorige.

Een groeicurve laat zien hoe een populatie zich daarbij ontwikkelt. Eerst loopt hij steil op, daarna vlakt hij af naarmate de draagkracht in zicht komt. Een gradiëntecosysteem is een gebied waarin een factor geleidelijk verloopt, bijvoorbeeld van nat naar droog of van zout naar zoet. Doordat er voor veel soorten ergens een geschikte plek zit, leven er veel meer soorten dan in een uniform gebied.

Kernbegrippen

gradiëntecosysteem
Gebied waarin een factor geleidelijk verloopt, zoals van nat naar droog; door die overgang leven er veel meer soorten dan in een uniform gebied.
concurrentie
Strijd om iets waar te weinig van is — licht, voedsel, ruimte of partners — binnen één soort of tussen soorten.
groeicurve
Grafiek van de populatiegrootte in de tijd; hij loopt eerst steil op en vlakt af zodra de draagkracht in zicht komt.
15

Evenwicht en omslag

Een ecosysteem kan in meer dan één evenwichtstoestand verkeren. De draagkracht geeft aan hoeveel individuen een gebied blijvend kan onderhouden; daarboven neemt de sterfte toe of de aanwas af, waardoor het aantal weer terugzakt.

Zolang een verstoring binnen de tolerantiegrenzen blijft, veert het systeem terug. Maar bij aanhoudende druk kan het een omslagpunt bereiken en in één keer naar een heel andere toestand kantelen — een helder meer dat troebel wordt, bijvoorbeeld. Terugdraaien lukt dan meestal niet door de druk simpelweg weg te nemen.

Kernbegrippen

draagkracht
Het aantal individuen dat een gebied blijvend kan onderhouden; daarboven neemt de sterfte toe of de aanwas af.
tolerantiegrenzen
De uiterste waarden van een factor waartussen een soort het nog uithoudt.
omslagpunt
Punt waarop een ecosysteem door aanhoudende verstoring opeens in een andere toestand kantelt, die daarna moeilijk terug te draaien is.
16

De mens en de ontwikkeling van ecosystemen

Klimaatverandering verschuift temperatuur en neerslag, en daarmee waar soorten kunnen leven en wanneer ze bloeien, uitkomen of trekken. Dat verandert niet alleen de plek van een soort, maar ook of hij zijn voedsel of bestuiver nog op het juiste moment tegenkomt.

Doordat die verschuivingen sneller gaan dan veel soorten zich kunnen aanpassen of verplaatsen, verandert de ontwikkeling van hele ecosystemen — en daarmee het systeem Aarde.

Kernbegrippen

exoot
Soort die door de mens buiten zijn oorspronkelijke gebied terechtkomt; zonder natuurlijke vijanden kan hij inheemse soorten verdringen.
natuurbeheer
Bewust ingrijpen om een gebied in een gewenste toestand te houden of te brengen, bijvoorbeeld door begrazing, maaien of plaggen.
klimaatverandering
Blijvende verschuiving van temperatuur en neerslagpatronen, versneld door de uitstoot van broeikasgassen.

Let hierop

Stoffen circuleren; bruikbare energie verdwijnt uiteindelijk als warmte.

Controleer of je het begrijpt

Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.

  1. Hoe kan extra stikstof het ecosysteem veranderen?
  2. Waarom is een voedselketen geen energiekringloop?
  3. Welke biologische gegevens zijn nodig om natuurbeheer te beoordelen?

Verantwoording

De inhoud is door BiologieBoost geselecteerd voor VWO · Biologie voor jou · leerjaar 4, met het landelijke examenprogramma als inhoudelijke basis. De methode-indeling is gecontroleerd aan de openbare inhoudsopgaven van Noordhoff en Malmberg. De uitleg, voorbeelden en zelfcheck zijn eigen werk; deze pagina is geen officiële uitgeversuitgave. Begrippen uit de oorspronkelijke CvTE-lijst zijn geselecteerd voor dit programma. Biologische naslag: OpenStax Biology.

Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.

Oefen verder met mens en milieu

Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.

Naar de oefeningen