Hoofdstuk 7 · HAVO · Nectar · leerjaar 4

Soorten en relaties

Soorten en hun relaties in een systeem. Verbind tolerantie en hulpbronnen met populatiegroei. Volg een verandering via interacties naar andere populaties en onderscheid het voedselweb van de abiotische omgeving.

Dit kun je uitleggen

  • Je kunt in een context beschrijven wat onder een soort en wat onder een populatie wordt verstaan.
  • Je kunt in een context uitleggen hoe frequenties van genotypen en fenotypen in populaties in tijd en ruimte veranderen.
  • Je kunt in een context uitleggen dat populaties emergente eigenschappen hebben.
  • Je verklaart populatieverandering met geboorte, sterfte en migratie.
  • Je vergelijkt soortenrelaties en hun gevolgen in een voedselweb.
  • Je kunt in een context beschrijven wat onder een ecosysteem wordt verstaan en welke componenten daarvan deel uitmaken.
  • Je kunt in een context benoemen wat de verschillen zijn tussen ecosystemen op basis van verschillen in biotische en abiotische factoren.
  • Je kunt in een context uitleggen welke rol concurrentie binnen en tussen populaties speelt bij de dynamiek (instandhouding en ontwikkeling) van een ecosysteem.

Zo hangt de stof samen

Verbind tolerantie en hulpbronnen met populatiegroei. Volg een verandering via interacties naar andere populaties en onderscheid het voedselweb van de abiotische omgeving.

01

Soort en populatie

Een soort is een voortplantingsgemeenschap: alleen binnen de soort ontstaan nakomelingen die zelf ook vruchtbaar zijn. Dat criterium trekt de grens, niet hoe organismen eruitzien.

Een populatie is het deel van zo'n soort dat in één gebied leeft en zich daar met elkaar voortplant. Van dezelfde soort kunnen dus verspreid meerdere populaties bestaan, met elk hun eigen samenstelling.

Kernbegrippen

soort
Voortplantingsgemeenschap die van andere gescheiden blijft: alleen onderling ontstaan er nakomelingen die zelf ook vruchtbaar zijn.
populatie
Voortplantingsgemeenschap: de individuen van één soort die in hetzelfde gebied leven en zich met elkaar kunnen voortplanten.
02

Genotype en fenotype in de populatie

Het genotype is het geheel van allelen dat een individu bij zich draagt; het fenotype is wat je er uiteindelijk van ziet — het resultaat van genotype en omgeving samen.

Op populatieniveau kijk je niet naar één individu maar naar frequenties: welk aandeel van de populatie heeft welk genotype of fenotype. Die verhoudingen liggen niet vast. Ze verschuiven in de tijd, doordat selectie of toeval de ene combinatie vaker doorgeeft dan de andere, en ze verschillen in de ruimte, doordat populaties in andere gebieden met andere omstandigheden te maken hebben.

Kernbegrippen

genotype
Het geheel van allelen dat een individu heeft; samen met invloeden van buitenaf bepaalt het hoe het individu eruitziet en werkt.
fenotype
Alle waarneembare kenmerken van een individu, als resultaat van het genotype en de omgeving samen.
03

Emergente eigenschappen

Sommige kenmerken bestaan pas op het niveau van de populatie en zijn aan geen enkel individu af te lezen: dichtheid, leeftijdsopbouw, geslachtsverhouding, groeisnelheid. Dat zijn emergente eigenschappen.

Juist die kenmerken bepalen hoe een populatie zich zal ontwikkelen. Twee populaties van dezelfde grootte kunnen totaal verschillende vooruitzichten hebben als de ene vooral uit jonge dieren bestaat en de andere uit oude.

Kernbegrippen

emergente eigenschap
Kenmerk dat pas op een hoger organisatieniveau bestaat en niet uit één individu af te lezen is, zoals de dichtheid of leeftijdsopbouw van een populatie.
04

Populaties, tolerantie en samenwerking

Een populatie bestaat uit organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied. Geboorte en immigratie vergroten haar omvang; sterfte en emigratie verkleinen die. Voedselaanbod, predatie, ziekte en beschikbare ruimte beïnvloeden de groei. Een draagkracht is geen vast getal voor altijd: bij gewijzigde omstandigheden verandert zij.

Een tolerantiegebied beschrijft bij welke waarden van een abiotische factor een organisme kan functioneren. Rond het optimum functioneren veel processen beter; bij minimum en maximum liggen grenzen. De aanwezigheid van een soort hangt vaak van meerdere factoren tegelijk af. Een enkele tolerantiecurve is daarom geen volledige voorspelling van verspreiding.

Organismen concurreren om beperkte hulpbronnen. Bij predatie wordt een prooi gegeten; bij parasitisme profiteert de parasiet terwijl de gastheer schade ondervindt. Bij mutualisme profiteren beide partners. Bij commensalisme profiteert één partner zonder duidelijk effect op de andere. Het effect kan afhankelijk zijn van de omstandigheden.

In een voedselweb kan een afname van één populatie verschillende andere populaties beïnvloeden. Beschrijf steeds de tussenstap: minder prooi kan minder voedsel voor een predator betekenen, maar alternatieve prooien kunnen dat effect beperken. Een dynamisch ecosysteem hoeft dus niet voortdurend dezelfde aantallen te hebben.

Kernbegrippen

Draagkracht
Populatieomvang die een omgeving onder de betreffende omstandigheden duurzaam kan ondersteunen.
Tolerantiegebied
Bereik van een omgevingsfactor waarbinnen een organisme kan functioneren.
Mutualisme
Samenleven waarbij beide partners voordeel hebben.
05

Wat een ecosysteem is

Een ecosysteem is een levensgemeenschap plus de niet-levende omgeving waarin die leeft, met alle wisselwerkingen daartussen. De grens die je trekt is een keuze: een sloot, een duingebied of de hele aarde.

Binnen dat systeem heeft elke soort een habitat — de plek waar hij leeft — en een niche: zijn rol, dus wat hij eet, waar hij zit en wat hij verdraagt. Twee soorten met precies dezelfde niche kunnen niet blijvend naast elkaar bestaan; een van beide verliest. De soortensamenstelling is de lijst van welke soorten er in welke verhouding voorkomen.

Kernbegrippen

ecosysteem
Een levensgemeenschap samen met de niet-levende omgeving waarin die leeft, en alle wisselwerkingen daartussen.
habitat
De plek waar een soort leeft, met de omstandigheden die die soort daar aantreft.
niche
De rol van een soort in het ecosysteem: wat hij eet, waar hij leeft en welke omstandigheden hij verdraagt. Twee soorten met dezelfde niche kunnen niet blijvend naast elkaar bestaan.
06

Biotische en abiotische factoren

De omstandigheden in een ecosysteem vallen in twee groepen. Abiotische factoren komen uit de niet-levende omgeving: temperatuur, licht, vocht, zuurgraad, wind. Biotische factoren komen van andere organismen: voedsel, vijanden, concurrenten, ziekteverwekkers.

Door verschillen daarin ziet een ecosysteem er in het ene gebied heel anders uit dan in het andere, ook al ligt het er vlakbij. Soorten met nauwe grenzen aan wat ze verdragen zijn daarom bruikbaar als indicatorsoort: hun aanwezigheid vertelt in één oogopslag iets over de toestand van het gebied.

Kernbegrippen

indicatorsoort
Soort met nauwe grenzen aan wat hij verdraagt; zijn aanwezigheid vertelt daardoor iets over de toestand van het gebied.
biotische factor
Invloed op een organisme die van andere organismen komt, zoals voedsel, vijanden, concurrenten of ziekteverwekkers.
abiotische factor
Invloed uit de niet-levende omgeving, zoals temperatuur, licht, vocht, zuurgraad en wind.
07

Concurrentie

Concurrentie ontstaat zodra er van iets te weinig is: licht, voedsel, ruimte of partners. Binnen een soort is die strijd het hevigst, want alle individuen vragen precies hetzelfde.

Tussen soorten hangt het af van de overlap in niche. Hoe meer die overlappen, hoe scherper de concurrentie, en hoe groter de kans dat een van beide verdwijnt of uitwijkt naar een ander deel van het gebied. Zo houdt concurrentie de samenstelling van een ecosysteem mede in vorm.

Kernbegrippen

concurrentie
Strijd om iets waar te weinig van is — licht, voedsel, ruimte of partners — binnen één soort of tussen soorten.
08

Voedselrelaties

Voedselrelaties bepalen hoe stof en energie door een ecosysteem bewegen. Bij predatie doodt een organisme een ander en eet het op; predator en prooi houden elkaars aantallen daarbij in beweging, met golven die achter elkaar aanlopen.

Vraat is anders: daarbij wordt maar een deel gegeten en blijft het slachtoffer leven, zoals een rups aan een blad. Planten zijn daar niet weerloos tegen. Sommige geven bij vraat een signaalstof af die juist de natuurlijke vijand van de vreter aantrekt.

Kernbegrippen

voedselrelatie
Verband tussen organismen dat draait om wie wat eet, en daarmee om de doorgifte van stof en energie.
predatie
Een organisme doodt en eet een ander; predator en prooi houden elkaars aantallen in beweging.
vraat
Eten van delen van een organisme zonder het te doden, zoals een rups die aan een blad knaagt.
09

Relaties in een voedselketen

Een voedselketen is een reeks waarin elke schakel de volgende tot voedsel dient. Maar niet elke relatie tussen soorten draait om opeten.

Symbiose is duurzaam samenleven, en je deelt het in naar wat het beide partijen oplevert. Bij mutualisme worden ze er allebei beter van, zoals bloem en bestuiver. Bij commensalisme profiteert de een en merkt de ander er niets van. Bij parasitisme profiteert de een ten koste van de ander — maar zonder die meteen te doden, want dan verliest de parasiet zijn eigen kostwinner.

Kernbegrippen

voedselketen
Reeks organismen waarbij elke schakel de volgende tot voedsel dient, van producent naar consumenten.
symbiose
Duurzaam samenleven van twee soorten; naar het resultaat voor beide partijen onderscheid je mutualisme, commensalisme en parasitisme.
parasitisme
Samenleven waarbij de een profiteert en de ander schade lijdt, zonder er meteen aan te bezwijken.
10

Van keten naar web

In werkelijkheid eet vrijwel geen enkele soort maar één ding, en wordt vrijwel geen enkele soort door maar één ander gegeten. Alle voedselketens in een ecosysteem samen vormen daarom een voedselweb.

Dat verschil telt: alternatieve voedselrelaties kunnen een verstoring opvangen, maar meer verbindingen garanderen geen stabiliteit. Het effect hangt af van de sterkte en soort van de relaties, en van de rol van de verdwenen soort.

Kernbegrippen

voedselweb
Alle voedselketens in een ecosysteem samen; omdat de meeste soorten meer dan één voedselbron hebben, is dit een net en geen rij.

Let hierop

Een populatie bestaat uit één soort; een levensgemeenschap omvat meerdere soorten.

Controleer of je het begrijpt

Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.

  1. Hoe beïnvloeden geboorte en emigratie een populatie?
  2. Welke tussenstap verbindt minder prooi met minder predatoren?
  3. Waarom kan draagkracht in de tijd veranderen?

Verantwoording

De inhoud is door BiologieBoost geselecteerd voor HAVO · Nectar · leerjaar 4, met het landelijke examenprogramma als inhoudelijke basis. De methode-indeling is gecontroleerd aan de openbare inhoudsopgaven van Noordhoff en Malmberg. De uitleg, voorbeelden en zelfcheck zijn eigen werk; deze pagina is geen officiële uitgeversuitgave. Begrippen uit de oorspronkelijke CvTE-lijst zijn geselecteerd voor dit programma. Biologische naslag: OpenStax Biology.

Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.

Oefen verder met soorten en relaties

Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.

Naar de oefeningen