Hoofdstuk 3 · HAVO · Nectar · leerjaar 4

Onderzoek doen

Van onderzoeksvraag naar onderbouwde conclusie. Kies onafhankelijke en afhankelijke variabelen, een passende controle en herhalingen. Vergelijk de uitkomst met je voorspelling en bespreek alternatieve verklaringen.

Dit kun je uitleggen

  • Je kunt in een context onderscheiden wat natuurwetenschap is en waarin fundamenteel en toegepast onderzoek verschillen.
  • Je kunt in een context de stappen van de onderzoekscyclus in de juiste volgorde zetten.
  • Je kunt in een context beoordelen of een uitspraak wetenschappelijk toetsbaar is.
  • Je kunt in een context een experiment opzetten waarin de variabelen goed geregeld zijn.
  • Je kunt in een context beschrijven hoe onderzoek wordt opgeschreven, beoordeeld en gepubliceerd.
  • Je kunt in een context een microscoop gebruiken en de vergroting van een beeld berekenen.
  • Je kunt in een context meetgegevens weergeven volgens de afspraken die in de natuurwetenschappen gelden.
  • Je kunt in een context beschrijven welke vormen er zijn van actief.

Zo hangt de stof samen

Kies onafhankelijke en afhankelijke variabelen, een passende controle en herhalingen. Vergelijk de uitkomst met je voorspelling en bespreek alternatieve verklaringen.

01

Wat wetenschap is

Wetenschap is niet zomaar een verzameling feiten, maar een manier van werken. Een uitspraak telt pas als hij op waarnemingen berust en als een ander hem kan controleren. Dat laatste is de kern: kennis die niemand kan narekenen, blijft een mening.

De natuurwetenschappen — biologie, scheikunde, natuurkunde — zoeken naar wetmatigheden in de natuur die je kunt toetsen. Ze verschillen van elkaar in onderwerp, niet in werkwijze.

Binnen dat vak loopt er nog een scheidslijn. Fundamenteel onderzoek wil kennis uitbreiden zonder toepassing voor ogen; toegepast onderzoek richt zich op een concreet probleem, zoals een betere behandeling of een gewas dat tegen droogte kan. Ze hebben elkaar nodig: vrijwel elke toepassing rust op fundamenteel werk waarvan het nut destijds nog niet te zien was.

Kernbegrippen

wetenschap
Manier om kennis te vergaren waarbij uitspraken alleen tellen als ze op waarnemingen berusten en door anderen gecontroleerd kunnen worden.
natuurwetenschap
Wetenschap die verschijnselen in de natuur bestudeert en verklaart met wetmatigheden die te toetsen zijn, zoals biologie, scheikunde en natuurkunde.
fundamenteel onderzoek
Onderzoek dat kennis wil uitbreiden zonder een toepassing voor ogen; wat het oplevert blijkt vaak pas jaren later bruikbaar.
02

De onderzoekscyclus

De wetenschappelijke methode is een vaste reeks stappen, die je telkens opnieuw doorloopt.

Het begint bij een waarneming: iets valt op, en je legt het vast zonder er meteen een verklaring bij te bedenken. Daaruit volgt een onderzoeksvraag, en die moet scherp genoeg zijn om met metingen te beantwoorden — dus met wat je meet en onder welke omstandigheden erin.

Dan komt de hypothese: een verwachting die je opschrijft voordat je meet. Daaruit leid je een voorspelling af in de vorm 'als … dan …', en die stelt het experiment op de proef. Ten slotte volgt de conclusie: wat laten de metingen zien, en houdt de hypothese stand?

Het is een cyclus, geen rechte lijn. Elke conclusie roept nieuwe vragen op, en een hypothese die sneuvelt is geen mislukking maar een uitkomst.

Kernbegrippen

wetenschappelijke methode
Vaste werkwijze van waarneming, vraag, hypothese, voorspelling, experiment en conclusie, die telkens opnieuw wordt doorlopen.
waarneming
Vastgelegd gegeven over iets wat je met je zintuigen of met een instrument opmerkt, zonder er al een verklaring aan te verbinden.
onderzoeksvraag
Vraag die zo scherp is geformuleerd dat er met metingen antwoord op te geven valt; ze noemt wat je meet en waaronder.
03

Toetsbaar redeneren

Een uitspraak is wetenschappelijk bruikbaar als hij falsifieerbaar is: er moet een uitkomst denkbaar zijn die hem onderuithaalt. Iets wat met elke waarneming te verenigen valt, zegt niets.

Er zijn twee richtingen van redeneren. Inductief ga je van veel losse waarnemingen naar een algemene regel; die regel blijft altijd voorlopig, want de volgende waarneming kan hem breken. Deductief ga je de andere kant op, van een algemene regel naar een verwachting voor één geval. Zo komt een toetsbare voorspelling uit een hypothese.

Beschrijvend onderzoek brengt in kaart wat er is en levert de waarnemingen waaruit vragen ontstaan; hypothesetoetsend onderzoek begint juist bij een verwachting. Een theorie ten slotte is geen gok, maar een verklaring die door veel onafhankelijk onderzoek overeind is gebleven.

Kernbegrippen

falsifieerbaar
Zo geformuleerd dat er een uitkomst denkbaar is die de uitspraak onderuithaalt. Wat niets uitsluit, is niet wetenschappelijk te toetsen.
inductief redeneren
Van veel losse waarnemingen naar een algemene regel toe redeneren; de regel blijft altijd voorlopig, want de volgende waarneming kan hem breken.
deductief redeneren
Van een algemene regel naar een verwachting voor één geval toe redeneren; zo leid je uit een hypothese een toetsbare voorspelling af.
04

Een experiment opzetten

In een experiment draai je aan één ding en meet je wat er verandert. De variabele die je zelf instelt heet de onafhankelijke variabele; die zet je op de horizontale as. De variabele die je meet is de afhankelijke, en die komt op de verticale as.

Al het andere moet gelijk blijven. Verandert er meer dan één ding tegelijk, dan weet je aan het eind niet waaraan het verschil ligt.

Daarom hoort er een controle-experiment bij: een opstelling die in alles gelijk is aan de echte, behalve in de factor die je onderzoekt. Zonder die vergelijking zegt een uitkomst niets — planten die groeien bij extra licht bewijzen pas iets naast planten die dezelfde grond, hetzelfde water en dezelfde temperatuur kregen. Herhaal bovendien voldoende vaak, want één meting kan toeval zijn.

Kernbegrippen

variabele
Grootheid in een onderzoek die kan verschillen, zoals temperatuur, lichtsterkte of groeisnelheid.
onafhankelijke variabele
Grootheid die de onderzoeker zelf instelt of kiest, om te zien wat er verandert.
afhankelijke variabele
Grootheid die je meet en waarvan je verwacht dat ze meebeweegt met wat je hebt ingesteld.
05

Opschrijven en publiceren

Onderzoek dat niet wordt opgeschreven, bestaat voor de wetenschap niet. Een wetenschappelijk artikel heeft een vaste indeling, en die is er niet voor de vorm.

De samenvatting geeft vraag, aanpak, uitkomst en conclusie in een paar zinnen. De inleiding zet uiteen wat er al bekend is en waarom deze vraag ertoe doet. Materiaal en methode beschrijft alles zo nauwkeurig dat een ander het kan overdoen — precies wat controleerbaarheid mogelijk maakt. De resultaten geven de metingen zelf, in tabellen en grafieken. Pas in de discussie komt de uitleg, met de beperkingen erbij.

Voordat een artikel verschijnt, lopen vakgenoten het na: peer review. Een overzichtsartikel vat de stand van zaken uit tientallen onderzoeken samen. Werk van anderen gebruik je met bronvermelding; zonder is het plagiaat. En soms levert onderzoek per ongeluk iets waardevols op — serendipiteit.

Kernbegrippen

wetenschappelijk artikel
Publicatie waarin één onderzoek volledig wordt beschreven, in een vaste indeling die navolging door anderen mogelijk maakt.
peer review
Beoordeling vooraf door vakgenoten die opzet, uitvoering en conclusies nalopen; pas daarna verschijnt het artikel in een tijdschrift.
samenvatting
Kort blok vooraan een artikel met vraag, aanpak, belangrijkste uitkomst en conclusie, zodat een lezer kan beslissen of hij verder leest.
06

Werken met de microscoop

Een microscoop maakt zichtbaar wat te klein is voor het blote oog. De lichtmicroscoop werkt met zichtbaar licht en glazen lenzen, en heeft één groot voordeel: je kunt er levend materiaal mee bekijken. Zijn grens ligt rond 200 nanometer.

De elektronenmicroscoop gebruikt een bundel elektronen en komt daardoor veel verder — tot in de bouw van organellen en membranen. Daar staat tegenover dat het materiaal dood en bewerkt moet zijn.

Wat je bekijkt is het preparaat: meestal dun gesneden en gekleurd, want kleurloos weefsel levert geen contrast. De vergroting van het beeld is die van het objectief maal die van het oculair. Het oplossend vermogen is iets anders: de kleinste afstand waarop twee punten nog te onderscheiden zijn. Verder vergroten zonder dat te verbeteren levert alleen een groter, vager beeld op.

Kernbegrippen

microscoop
Instrument dat kleine voorwerpen vergroot afbeeldt, zodat structuren zichtbaar worden die met het blote oog te klein zijn.
lichtmicroscoop
Microscoop die met zichtbaar licht en glazen lenzen werkt; hij toont levende cellen, maar niet wat kleiner is dan ongeveer 200 nanometer.
elektronenmicroscoop
Microscoop die met een bundel elektronen werkt en daardoor veel fijnere details toont, maar alleen aan dood, bewerkt materiaal.
07

Meten en weergeven

Metingen zijn alleen bruikbaar als anderen ze kunnen lezen, en daarvoor bestaan afspraken. Elke grootheid krijgt zijn SI-eenheid: meter, seconde, mol, kilogram. In de biologie zijn de kleine maten het belangrijkst — een cel meet enkele tientallen micrometers, membranen en moleculen worden in nanometers uitgedrukt.

Een tabel zet de gegevens in rijen en kolommen, met bij elke kolom de grootheid en de eenheid. Een grafiek laat het verband zien: de ingestelde grootheid op de horizontale as, de gemeten op de verticale, allebei met een schaalverdeling die klopt.

Bij het werk in het lab hoort ten slotte de veiligheid. Veiligheidssymbolen op een verpakking geven in één oogopslag aan welk gevaar een stof oplevert en welke voorzorg daarbij hoort.

Kernbegrippen

SI-eenheid
Internationaal afgesproken eenheid waarin een grootheid wordt uitgedrukt, zoals de meter, de seconde en het mol.
micrometer
Duizendste millimeter, de maat waarin celgrootte wordt uitgedrukt; een menselijke cel is er enkele tientallen groot.
nanometer
Duizendste micrometer, de maat voor moleculen, membranen en de scherpte van een microscoop.
08

Vormen van transport

Een cel is geen zeef. Wat er in en uit gaat, hangt af van het molecuul en van de route die ervoor bestaat.

Passief transport gaat met het concentratieverschil mee en kost geen energie: diffusie voor kleine ongeladen moleculen zoals zuurstof, osmose voor water. Actief transport gaat er juist tegenin, met een pomp-eiwit en ten koste van ATP — zo blijven de ionenconcentraties binnen en buiten verschillend.

Grote deeltjes passen door geen enkel eiwit. Die gaan met endocytose naar binnen, doordat het membraan zich eromheen plooit, en met exocytose naar buiten, doordat een blaasje met het membraan versmelt.

Kernbegrippen

diffusie
Deeltjes bewegen willekeurig en verspreiden zich daardoor vanzelf tot de concentratie overal gelijk is; daar is geen energie voor nodig.
osmose
Netto verplaatsing van water door een semipermeabel membraan door een verschil in waterpotentiaal; opgeloste stoffen en druk beïnvloeden de richting.
actief transport
Verplaatsing van laag naar hoog: een pomp-eiwit werkt tegen het concentratieverschil in en betaalt dat met ATP.
09

Membraan en molecuul

Het celmembraan is een dubbele laag fosfolipiden: wateraantrekkende koppen naar buiten, waterafstotende staarten naar binnen. Die bouw bepaalt wie er zomaar doorheen komt.

Vetoplosbare, apolaire moleculen glijden er dwars doorheen. Ionen en grote polaire moleculen passeren de vetlaag niet gemakkelijk. Kleine polaire moleculen zoals water kunnen beperkt rechtstreeks passeren; water gaat vaak vooral via aquaporinen. Voor die stoffen zijn er eiwitten in het membraan die als kanaal of als pomp dienstdoen. Dat is meteen de reden dat de cel controle heeft over wat er binnenkomt.

Kernbegrippen

fosfolipiden
Moleculen met een wateraantrekkende kop en waterafstotende staarten; ze vormen vanzelf de dubbele laag van het celmembraan.
wateroplosbaar
Oplosbaar in water doordat het molecuul geladen of polair is; komt daardoor juist niet door de vetlaag van het membraan.
vetoplosbaar
Oplosbaar in vet doordat het molecuul apolair is; passeert het membraan gemakkelijk.
10

Osmose bij plant en dier

Dezelfde osmose pakt bij een plantencel anders uit dan bij een dierlijke cel, en dat komt door de celwand.

In een hypotonische omgeving neemt een plantencel water op tot de celwand tegendruk geeft: turgor. Dat is wat een kruidachtige plant rechtop houdt. Een dierlijke cel heeft die wand niet en kan in dezelfde omgeving knappen.

In een hypertonische omgeving verliest de plantencel water en trekt het membraan met de inhoud los van de wand — plasmolyse. De dierlijke cel schrompelt gewoon ineen.

Kernbegrippen

plasmolyse
Bij een plantencel in een hypertonische omgeving trekt het celmembraan met de inhoud los van de celwand doordat er water uit stroomt.
turgor
De druk van de celinhoud tegen de celwand bij een plantencel die vol water zit; dit is wat een kruidachtige plant stevig houdt.
11

Waarom binnen anders is dan buiten

Het celmembraan is selectief permeabel: het laat de ene stof door en de andere niet. Daardoor kan de samenstelling binnen blijvend verschillen van die buiten — zonder dat verschil is er geen leven.

Om te vergelijken gebruik je de osmotische waarde. Een oplossing is isotonisch, hypotonisch of hypertonisch ten opzichte van een andere, en bij gelijke druk gaat water netto door een semipermeabel membraan naar de kant met de hoogste osmotische waarde. Druk kan deze stroom tegenwerken, zoals turgor in een plantencel. Algemeen stroomt water van hogere naar lagere waterpotentiaal, waarin zowel opgeloste stoffen als druk meetellen. De osmotische druk is de druk die je zou moeten uitoefenen om die stroom tegen te houden.

Kernbegrippen

semipermeabel membraan
Membraan dat water wel doorlaat maar de opgeloste deeltjes niet.
selectief permeabel
Doorlatend voor de ene stof en niet voor de andere, doordat er voor elke stof een eigen route of eiwit nodig is.
isotonisch
Met dezelfde osmotische waarde als de vergeleken vloeistof; er verplaatst zich netto geen water.
12

DNA-technieken en afwegingen

Bij DNA-analyse stel je eerst vast wat de techniek meet. PCR vergroot de hoeveelheid van een afgebakend fragment. Bij gelelektroforese worden DNA-fragmenten op lengte gescheiden; kleinere fragmenten bewegen doorgaans verder door de gel. Sequencing levert informatie over de basenvolgorde. Een bandenpatroon en een basenvolgorde zijn dus verschillende soorten gegevens.

Een DNA-profiel vergelijkt gekozen variabele plaatsen. Een overeenkomst kan een hypothese ondersteunen, maar interpretatie vraagt controle op mengsporen, verontreiniging en de kans op toeval. De techniek leest niet automatisch iemands volledige fenotype.

Bij genetische modificatie wordt erfelijke informatie gericht veranderd of ingebracht. Een plasmide kan als vector dienen. Bij genbewerking, bijvoorbeeld met CRISPR-Cas, wordt een gekozen DNA-plaats aangepakt; het resultaat moet worden gecontroleerd omdat ongewenste veranderingen mogelijk zijn.

Een biologische afweging beschrijft gevolgen voor organismen en systemen. Een ethische afweging gaat ook over waarden, toestemming, verdeling van voordeel en risico, en aanvaardbaarheid. Het bestaan van een technische mogelijkheid is niet hetzelfde als een reden om haar toe te passen. Benoem bij een beargumenteerd oordeel daarom een concreet voordeel, een concreet risico en de waarde waarop je uiteindelijke keuze berust.

Kernbegrippen

Gelelektroforese
Scheiding van geladen moleculen in een gel onder invloed van een elektrisch veld.
Sequencing
Bepalen van de basenvolgorde van DNA of RNA.
Vector
Drager waarmee erfelijk materiaal in een cel kan worden gebracht.

Let hierop

Samenhang in gegevens bewijst niet vanzelf een oorzakelijk verband.

Controleer of je het begrijpt

Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.

  1. Wat meet je bij onderzoek naar osmose?
  2. Hoe beperk je storende variabelen?
  3. Welke gegevens zouden je hypothese juist tegenspreken?

Verantwoording

De inhoud is door BiologieBoost geselecteerd voor HAVO · Nectar · leerjaar 4, met het landelijke examenprogramma als inhoudelijke basis. De methode-indeling is gecontroleerd aan de openbare inhoudsopgaven van Noordhoff en Malmberg. De uitleg, voorbeelden en zelfcheck zijn eigen werk; deze pagina is geen officiële uitgeversuitgave. Begrippen uit de oorspronkelijke CvTE-lijst zijn geselecteerd voor dit programma. Aanvullende begrippen: OpenStax Biology, eerste druk, © Rice University, CC BY 4.0. Biologische naslag: OpenStax Biology.

Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.

Oefen verder met onderzoek doen

Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.

Naar de oefeningen