Hoofdstuk 11 · HAVO · Biologie voor jou · leerjaar 5

Transport

Bloed als verbinding tussen organen en cellen. Volg een stof via hart, vaten, weefselvloeistof en cel. Verbind druk, vaatbouw en stroom met de plaats waar uitwisseling nodig is.

Dit kun je uitleggen

  • Je kunt in een context beschrijven wat de bouw, werking en functie zijn van de bloedsomloop van dieren, in het bijzonder van de mens.
  • Je kunt in een context beschrijven wat de relatie is tussen de bouw van hart en bloedvaten, hun werking en hun functie.
  • Je kunt in een context beschrijven wat de functie is van de bestanddelen van bloed, bloedplasma, weefselvloeistof en lymfe.
  • Je kunt in een context toelichten hoe weefselvloeistof en lymfe worden gevormd.

Zo hangt de stof samen

Volg een stof via hart, vaten, weefselvloeistof en cel. Verbind druk, vaatbouw en stroom met de plaats waar uitwisseling nodig is.

01

Bloedsomlopen en het hart

Bij een open circulatiesysteem, zoals bij insecten, verlaat de vloeistof de vaten en spoelt ze vrij langs de organen. Bij een gesloten bloedsomloop blijft het bloed in de vaten; alleen stoffen gaan er doorheen, waardoor de druk hoog blijft en de stroom te sturen is.

Vissen hebben een enkele bloedsomloop: het bloed passeert het hart één keer en verliest na de kieuwen veel druk. Zoogdieren hebben een dubbele. De kleine bloedsomloop loopt van de rechterharthelft naar de longen en terug, de grote van de linkerharthelft naar alle organen.

Het hart is één spier met vier ruimten, twee pompen naast elkaar; hartkleppen houden de richting vast. Het ritme komt uit de sinusknoop. De AV-knoop houdt de prikkel even vast en stuurt hem via de bundel van His naar de punt van de kamers, die daardoor van onderaf leegknijpen. In de diastole ontspant alles en lopen de ruimten weer vol.

Kernbegrippen

open circulatiesysteem
Stelsel waarin de vloeistof de vaten verlaat en vrij tussen de organen door stroomt, zoals bij insecten; de druk blijft daardoor laag.
gesloten bloedsomloop
Stelsel waarin het bloed de vaten nooit verlaat en alleen stoffen door de haarvatwand gaan; zo blijft de druk hoog en is de stroom te sturen.
enkele bloedsomloop
Baan waarin het bloed per rondgang maar één keer door het hart komt; na de kieuwen stroomt het meteen verder, met flink drukverlies.
02

Bloedvaten en bloeddruk

Tijdens de systole knijpen de kamers samen en persen ze het bloed de slagaders in. Hoeveel bloed er per minuut rondgaat is hartslagfrequentie maal slagvolume; door training stijgt het slagvolume, waardoor de hartslag in rust daalt.

Elk vaattype past bij zijn taak. Een slagader voert bloed van het hart af en heeft een dikke elastische wand die de drukgolf opvangt. Een haarvat is één cellaag dik, en juist daar gebeurt alle uitwisseling. Een ader voert terug naar het hart, met een dunne wand, lage druk en kleppen tegen terugstroming.

De bloeddruk wordt genoteerd als bovendruk over onderdruk: de waarde tijdens het samentrekken en tijdens het ontspannen. Op weg naar de aders zakt hij vrijwel helemaal weg. In kieuwen en in de nierlus zorgt het tegenstroomprincipe dat twee vloeistoffen elkaar tegemoet stromen, zodat de uitwisseling over de hele lengte blijft doorgaan.

Kernbegrippen

systole
Fase waarin de hartspier samentrekt en het bloed de slagaders in perst.
hartslagfrequentie
Aantal samentrekkingen per minuut. Samen met het slagvolume bepaalt dit hoeveel bloed er per minuut door het lichaam gaat.
slagvolume
Hoeveelheid bloed die één kamer bij één samentrekking uitstoot. Door training neemt het toe, waardoor de hartslag in rust juist daalt.
03

Bloed en zijn bestanddelen

Bloed bestaat voor iets meer dan de helft uit plasma: water met daarin eiwitten, zouten, voedingsstoffen, hormonen en afvalstoffen. Zo reizen glucose en aminozuren vanaf de darm naar de cellen, ureum naar de nieren, en cholesterol heen en weer tussen lever en weefsels.

De cellen komen allemaal uit het beenmerg. Rode bloedcellen zijn kernloos en zitten vol hemoglobine; zij verzorgen het zuurstoftransport, terwijl het koolstofdioxidetransport grotendeels via het plasma verloopt. Witte bloedcellen horen bij de afweer en kunnen de vaatwand uit. Bloedplaatjes brengen bij een beschadiging de bloedstolling op gang, waarbij fibrinedraden de wond dichtmaken.

Buiten de vaten heet hetzelfde vocht anders. Tussen de cellen is het weefselvloeistof, die daar de uitwisseling verzorgt; wat via de lymfevaten wordt afgevoerd heet lymfe.

Kernbegrippen

bloedsamenstelling
Plasma met daarin rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes; iets meer dan de helft van het volume is plasma.
bloedplasma
Strokleurige vloeistof waarin de bloedcellen zweven. Ze bestaat vooral uit water, met eiwitten, zouten, hormonen, voedingsstoffen en afvalstoffen erin opgelost.
voedingsstoffen
Opgenomen bouw- en brandstoffen die het bloed vanaf de darm naar de cellen brengt: glucose, aminozuren, vetten, vitaminen en mineralen.
04

Weefselvloeistof en lymfe

Aan het begin van een haarvat is de bloeddruk hoger dan de zuigende werking van de plasma-eiwitten. Die filtratiedruk perst water met opgeloste stoffen de weefsels in. Plasma-eiwitten leveren colloïd-osmotische druk die de filtratie tegenwerkt. In het klassieke schoolmodel kan verderop in het haarvat terugresorptie optreden. In veel echte weefsels is de lymfeafvoer echter de belangrijkste route terug; gebruik bij een berekening de gegeven drukken en aannames.

De hoeveelheid die via lymfe teruggaat verschilt per weefsel en situatie; neem zonder gegevens geen vast percentage aan. Lymfevaten beginnen blind tussen de weefsels, nemen het vocht op en voeren het met kleppen en omliggende spieren omhoog. Onderweg passeert de lymfe de lymfeknopen, waar witte bloedcellen ziekteverwekkers onderscheppen.

De borstbuis verzamelt de lymfe van het onderlichaam en loost die bij het sleutelbeen in een ader, zodat het vocht terugkomt in de kringloop. Raakt die afvoer verstopt, of zijn er te weinig plasma-eiwitten, dan blijft er vocht in het weefsel achter: oedeem.

Kernbegrippen

bloedvatenstelsel
Gesloten net van slagaders, haarvaten en aders waardoor het hart het bloed rondpompt.
lymfesysteem
Eenrichtingsstelsel van vaten en knopen dat het overschot aan weefselvocht afvoert en het onderweg op ziekteverwekkers controleert.
lymfevat
Vat dat blind begint tussen de weefsels, daar vocht opneemt en het met kleppen en spierwerking richting de hals afvoert.

Let hierop

Slagaders voeren bloed van het hart af, ook als dat bloed zuurstofarm is.

Controleer of je het begrijpt

Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.

  1. Welke route volgt bloed van rechterkamer naar linkerboezem?
  2. Waarom vindt uitwisseling vooral in haarvaten plaats?
  3. Hoe verbinden weefselvloeistof en lymfe zich met de bloedsomloop?

Verantwoording

De inhoud is door BiologieBoost geselecteerd voor HAVO · Biologie voor jou · leerjaar 5, met het landelijke examenprogramma als inhoudelijke basis. De methode-indeling is gecontroleerd aan de openbare inhoudsopgaven van Noordhoff en Malmberg. De uitleg, voorbeelden en zelfcheck zijn eigen werk; deze pagina is geen officiële uitgeversuitgave. Begrippen uit de oorspronkelijke CvTE-lijst zijn geselecteerd voor dit programma. Biologische naslag: OpenStax Biology.

Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.

Oefen verder met transport

Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.

Naar de oefeningen